Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
200202337/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202337/1.

Datum uitspraak: 29 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 17 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 april 2002, verzonden op 19 april 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Grief I klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen enkel in geschil is of de staatssecretaris de aanvraag van appellant tijdig heeft afgewezen.

2.1.1. Deze grief faalt. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Uit de stukken, waaronder het beroepschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, blijkt dat appellant bij de rechtbank tegen de afwijzing van zijn aanvraag slechts heeft aangevoerd dat dit niet binnen de zogenoemde 48-uurs-termijn is gebeurd.

2.2. Grief II klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de 48-uurs-termijn een aanvang neemt op het moment, waarop de vreemdelingendienst met het eerste onderzoek van de eerste fase begint. De uren, gelegen tussen het moment, waarop appellant zich conform afspraak heeft aangemeld in het aanmeldcentrum Ter Apel en het moment, waarop de vreemdelingendienst is begonnen met het eerste onderzoek van de eerste fase, zijn ook als proces-uren aan te merken, aldus appellant.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.2.2. Uit die bepaling volgt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2002 in zaak nr. 200201773/1, aangehecht ter voorlichting van partijen) dat de 48-uurs-termijn in het aanmeldcentrum Ter Apel aanvangt op het moment, waarop het eerste onderzoek van de eerste fase begint. Tussen de aanmelding op afspraak en feitelijke opname in – en daarmee de start van – de asielprocedure geldt in het aanmeldcentrum een maximale wachttijd van vier uur. Na verloop van die tijd vangt de termijn in elk geval aan.

De conclusie is dat ook deze grief faalt.

2.3. Grief III klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de 48-uurs-termijn niet is overschreden, omdat de uren, gemoeid met het wachten op een tolk, niet als proces-uren kunnen worden aangemerkt.

2.3.1. Niet als proces-uren zijn aan te merken uren, die ten gevolge van door de staatssecretaris aan te voeren en aannemelijk te maken feiten en/of omstandigheden, redelijkerwijs niet konden worden benut voor het onderzoek naar de aanvraag.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2001 in zaak nr. 200102564/1, JV 2001/208), kan de tijd die verstrijkt met het wachten op een tolk ten behoeve van het verkeer tussen vreemdeling en zijn rechtshulpverlener in het algemeen niet worden aangemerkt als beschikbaar voor het onderzoek in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder f van het Vb 2000. Van bijzondere omstandigheden om daar in dit geval anders over te oordelen, is niet gebleken. Met name is niet gebleken dat het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk is veroorzaakt door nalatigheid aan de zijde van de staatssecretaris, als door appellant gesteld. Derhalve faalt deze grief evenzeer.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002

15-419.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,