Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2002
Datum publicatie
01-10-2002
Zaaknummer
200203091/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200203091/1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 28 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant van 5 mei 2002 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2002, verzonden op 30 mei 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat te Dokkum, en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), vertegenwoordigd door C.A. Buschman, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat indiening van de asielaanvraag in vreemdelingenbewaring er niet aan in de weg staat dat de aanvraag in het aanmeldcentrum wordt afgewezen, faalt. Geen wettelijke bepaling verzet zich ertegen dat, nadat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, de aanvraag in het aanmeldcentrum wordt afgewezen.

2.2. Appellant klaagt voorts dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de 48-uur-termijn eerst is aangevangen, op het moment waarop op 7 mei 2002 het onderzoek in het aanmeldcentrum een aanvang heeft genomen en aldus heeft miskend dat de aanvraag niet binnen 48 proces-uren is afgewezen.

2.2.1. Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) bedraagt de beroepstermijn één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren is afgewezen.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2002 in zaak nr. 200200319/1, gepubliceerd in JV 2002/123 en NAV 2002/91), heeft de wetgever ter bepaling of een aanvraag geschikt is om in een aanmeldcentrum te worden afgewezen een naar tijdsduur gemeten maatstaf voorgeschreven. Daarbij heeft, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 en de toelichting op het Vb 2000, de gedachte voorgezeten dat het vereiste dat binnen 48 proces-uren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen waarborgt dat op deze wijze slechts zaken worden afgehandeld, die geen tijdrovend onderzoek vergen. De aldus gekozen maatstaf kan deze door de wetgever beoogde waarborg slechts bieden, indien de uren die voor het onderzoek benut kunnen worden, worden aangemerkt als proces-uren in de zin van voormeld artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000.

2.2.3. Uit artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 valt af te leiden dat de 48-uur-termijn in ieder geval aanvangt op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend. Gebleken is dat de indiening van de aanvraag soms plaatsvindt, nadat enig – op de in te dienen aanvraag gericht – onderzoek heeft plaatsgevonden. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2002 in zaak nr. 200201773/1, JV 2002/225) moet in dat laatste geval worden aangenomen dat de 48-uur-termijn met de aanvang van dat onderzoek is gaan lopen. Dat betekent evenwel niet dat in het geval dat thans voorligt, waarin eerst een aanvraag is ingediend, de termijn eerst aanvangt op het moment waarop daadwerkelijk met het onderzoek wordt begonnen. Dit zou niet stroken met de hierboven vermelde wettelijke bepalingen, waarin sprake is van het afwijzen van, onderscheidenlijk het onderzoek naar, de aanvraag binnen een bepaald aantal uren. Een andersluidend oordeel zou bovendien afbreuk doen aan de beoogde werking van de voorgeschreven maatstaf.

2.2.4. Niet aannemelijk is gemaakt dat na de indiening van de aanvraag objectieve feiten en omstandigheden in de weg stonden aan het onderzoek naar die aanvraag, in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat de 48-uur-termijn eerst op 7 mei 2002 is aangevangen. Dat appellant zich aanvankelijk in vreemdelingenbewaring bevond, kan niet tot dit oordeel leiden, omdat niet gebleken is van een objectieve belemmering om het onderzoek via de aanmeldcentrum-procedure, met opheffing van de bewaring, op 5 mei 2002 te doen aanvangen.

De door de minister in dit verband ter zitting vermelde omstandigheid – de noodzaak om celruimte vrij te maken in verband met te verwachten ongeregeldheden in Rotterdam – is geen zodanige belemmering, omdat ze niet in de weg stond aan onderzoek in het aanmeldcentrum, doch aan het volgen van de procedure voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend door vreemdelingen, aan wie de vrijheid rechtens is ontnomen, beschreven onder C5/22 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De grief slaagt dan ook.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het op de aanvraag van 5 mei 2002 genomen besluit van de staatssecretaris van 10 mei 2002 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens schending van artikel 3.111, eerste lid en artikel 3.115, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

2.5. De minister heeft de Afdeling ter zitting verzocht om met toepassing van de bevoegdheid, voorzien in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

2.5.1. Voor toepassing van die bepaling is slechts plaats, indien na vernietiging nog slechts één besluit rechtens mogelijk is en wel dat, waartoe het vernietigde besluit strekt.

2.5.2. In het te vernietigen besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van appellant niet tot het oordeel leiden dat hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden.

Gelet op de gronden die de staatssecretaris aan de toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 ten grondslag heeft gelegd, bezien in het licht van hetgeen door appellant tijdens de behandeling van de aanvraag naar voren is gebracht en mede in aanmerking genomen dat hij het besluit bij de rechtbank op inhoudelijke gronden gemotiveerd heeft bestreden, staat niet op voorhand vast dat nog slechts één besluit rechtens mogelijk is, zodat geen termen aanwezig zijn om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb, als door de minister verzocht.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 28 mei 2002 in zaak nr. AWB 02/36083;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 10 mei 2002, kenmerk 0205.06.6094;

V. veroordeelt de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van de zaaknummers) te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2002

206-348.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,