Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
200203516/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/319
Ars Aequi RV20020059 met annotatie van F.T. Groenewegen

Uitspraak

Raad

van State

200203516/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Jusititie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 juni 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een herhaalde aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft de uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.2. De grieven I tot en met V zijn gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de staatssecretaris het verzoek van de vreemdeling om terug te komen van de eerdere weigering om haar als vluchteling toe te laten ten onrechte met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen, nu de staatssecretaris, anders dan in de eerdere beschikking, thans heeft beslist dat de uitzetting van de vreemdeling vanwege haar vergevorderde zwangerschap met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 tot zes weken na de bevalling achterwege zal worden gelaten en aldus kennelijk is teruggekomen van het eerder ingenomen standpunt dat zij kan worden uitgezet.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, JB 2001/190) is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege onder meer van de afwijzing van een verzoek om toelating en is die bevoegdheid niet discretionair van aard.

Met de in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gebruikte zinsnede “… kan worden uitgezet” is beoogd een voorbehoud te maken ter zake van de noodzaak tot uitzetting en de uitvoerbaarheid van het voornemen daartoe. Zo kan de vreemdeling eigener beweging vertrekken, zich aan het toezicht onttrekken of noodzakelijke medewerking weigeren. Voorts kan zich een tijdelijke verhindering voordoen, als bedoeld in artikel 64 Vw 2000. Dergelijke belemmeringen doen niet af aan het voornemen om, zodra ze zijn opgeheven, tot uitzetting over te gaan.

2.2.2. Hieruit vloeit voort dat toepassing van artikel 64 Vw 2000 in geval van tijdelijke verhindering om tot uitzetting over te gaan niet afdoet aan de bevoegdheid tot uitzetting. Dat rechtsgevolg van de afwijzing van de asielaanvraag is betrokken in de beoordeling van het asielrelaas. Het al dan niet intreden van het rechtsgevolg wordt bepaald door die beoordeling en de uitkomst daarvan en niet door andere overwegingen, zoals die welke ten grondslag kunnen liggen aan toepassing van artikel 64 Vw 2000.

De rechtbank heeft mitsdien ten onrechte overwogen dat de van de beoordeling van het asielrelaas losstaande beslissing van de staatssecretaris, dat de uitzetting van de vreemdeling op de voet van artikel 64 van de

Vw 2000 tijdelijk achterwege zal worden gelaten vanwege haar vergevorderde zwangerschap, tot gevolg heeft dat de staatssecretaris het verzoek van de vreemdeling om terug te komen van de eerdere weigering om haar als vluchteling toe te laten, niet met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb mocht afwijzen.

De grieven slagen derhalve.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling, gelet op het vooroverwogene en omdat de uitspraak van 21 juni 2002 voor het overige niet is aangevallen, het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen van 21 juni 2002 in zaak nr. AWB 02/42116;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

43-344.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,