Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
200203244/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/317

Uitspraak

Raad

van State

200203244/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2002 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 juni 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voorzover thans van belang, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Ingevolge artikel 53, eerste lid, van die wet, voorzover thans van belang, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, indien er op grond van feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft.

Volgens paragraaf A3/2.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voorzover thans van belang, mag mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden aangenomen als er sprake is van concrete anonieme tips over illegale vreemdelingen.

2.2. Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op grond van een anonieme tip voldoende concrete aanwijzingen bestonden dat de in het binnengetreden pand aangetroffen persoon illegaal in Nederland verbleef. Hij voert daartoe aan dat de anonieme tip onvoldoende concreet was om op grond daarvan een objectief redelijk vermoeden te mogen aannemen, als bedoeld in voormelde bepalingen, zodat de binnentreding in de woning en de staandehouding onrechtmatig zijn en de rechtbank de bewaring had dienen op te heffen.

2.2.1. Ofschoon de rechtbank in haar overweging dat op grond van de anonieme tip voldoende concrete aanwijzingen bestonden dat de in het pand aangetroffen persoon illegaal in Nederland verbleef, uitgaat van een onjuist criterium, leidt de grief niet tot het ermee beoogde doel, daar toepassing van het juiste criterium, zoals neergelegd in voormelde artikelen, gelet op het hierna overwogene, niet tot een ander oordeel leidt.

Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 24 mei 2002, mutatienummer PL2060/02-088007, model M111-A, blijkt dat bij het team vreemdelingenzaken Tilburg, afdeling toezicht, op 23 mei 2002 een niet met naam bekende man was gekomen die verklaarde dat op het in dat proces-verbaal vermelde adres mogelijk een illegale Turkse man zou verblijven. De melder dacht dat deze man mogelijk een broer zou zijn van de hoofdbewoner. Nu een specifiek aangeduide woning is vermeld en voorts een familierelatie met de hoofdbewoner werd vermoed, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een tip, die voldoende concreet was om op grond daarvan, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden te koesteren dat op het adres een vreemdeling verbleef die geen rechtmatig verblijf heeft. Dat de term “mogelijk” in de door de melder afgelegde verklaring is gebruikt, leidt, anders dan door appellant is betoogd, niet tot een ander oordeel. Uit het voorgaande volgt dat de betrokken ambtenaren, met gebruikmaking van de op 24 mei 2002 verleende bijzondere schriftelijke machtiging in de woning mochten binnentreden, die woning mochten betreden en appellant mochten staande houden. Nu hij voorts niet beschikte over enig geldig identiteitsbewijs en bleek dat hij eerder illegaal hier te lande verbleef, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris appellant op goede gronden krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld. De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

273-424.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,