Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
200203208/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7279
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/316
Ars Aequi RV20020071 met annotatie van M. Reneman

Uitspraak

Raad

van State

200203208/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdelinge],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 juni 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2002 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2002, verzonden op 7 juni 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt bij een hoger-beroepschrift zo mogelijk een afschrift van de uitspraak waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.

Ingevolge artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voorzover thans van belang, wordt het hoger beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, tweede lid, van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

2.1.1. Anders dan de staatssecretaris in zijn reactie van 20 juni 2002 stelt, heeft appellante bij het hoger-beroepschrift een volledig afschrift van de uitspraak, waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.

2.2. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 bevat het beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, aanhef en onder d, van de Awb gestelde eisen, een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.3. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.4. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van haar artikelen 85 en 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep, die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen.

2.5. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door de Minister van Justitie in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 duurt bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.

Blijkens de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 201) wordt met de in dit artikellid vermelde termijnen voor vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld op grond van het eerste lid, onder b, gewaarborgd dat binnen vier dan wel zes weken op de aanvraag wordt beslist, bij gebreke waarvan de bewaring dient te worden opgeheven. Deze termijnen dienen er toe de onzekerheid voor de vreemdeling over de uitkomst van de procedure zo kort mogelijk te laten zijn, aldus de Nota.

Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de maatregel waarbij de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 wordt opgelegd, gedagtekend en ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt.

Ingevolge het tweede lid van artikel 5.3 van het Vb 2000 is op de voortzetting van de bewaring op een andere grond – de zogeheten categoriewijziging - het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Blijkens de Nota van Toelichting (hierna: de NvT; Stb. 2000, 497) volgt uit het tweede lid van artikel 5.3 van het Vb 2000 dat wijziging van de grond waarop de vreemdeling in bewaring is gesteld niet betekent dat de bewaring wordt opgeheven. In die zin is er – aldus de NvT – geen sprake van een besluit waarbij de bewaring wordt opgelegd. Ingevolge het tweede lid dient de vreemdeling op de hoogte te worden gesteld van de voortzetting van de bewaring op een andere grond.

2.6. Op 23 mei 2002 is appellante op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 24 mei 2002 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Niet is in geschil dat ten tijde van de behandeling ter zitting van het beroep bij de rechtbank geen categoriewijziging had plaatsgevonden.

2.7. In grief I klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het uitblijven van de categoriewijziging de bewaring niet onrechtmatig heeft gemaakt. De grond waarop appellante in bewaring was gesteld kwam – aldus appellante – te vervallen, toen zij haar asielverzoek deed. Een andere grond voor de bewaring is niet aangevoerd. Derhalve heeft aan de toepassing van de maatregel een rechtsgeldige grond ontbroken vanaf het moment waarop asiel is aangevraagd, aldus appellante.

2.7.1. Indien en zolang geen categoriewijziging heeft plaatsgevonden, berust de bewaring op de in het daartoe gegeven bevel aangegeven grond. Het uitblijven van de categoriewijziging maakt de voortzetting van de bewaring onrechtmatig, indien de met de voortzetting van de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is – alle feiten, omstandigheden en belangen in aanmerking genomen - in dit geval geen sprake, mede gelet op het feit dat, toen de rechtbank het uitblijven van een categoriewijziging constateerde, nog slechts een betrekkelijk korte periode was verstreken sedert indiening van de asielaanvraag. Niet in geschil is dat appellante op 24 mei 2002 een asielaanvraag heeft ingediend en dat de staatssecretaris gehouden is om binnen zes weken na laatstvermelde datum een beslissing te nemen op deze aanvraag. De in het bevel als grondslag voor het inroepen van het belang van de openbare orde vermelde feiten en omstandigheden zijn niet bestreden en aan de actualiteit van die feiten en omstandigheden was ten tijde van de uitspraak van de rechtbank niet afgedaan. De grief faalt.

2.8. Hetgeen in grief II is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat deze grief geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.9. Hetgeen overigens is aangevoerd betreft louter een herhaling van bij de rechtbank aangevoerde gronden waarop deze heeft beslist. Derhalve is in zoverre geen sprake van grieven in de zin van voormeld artikel 85 van de Vw 2000 en kan het aangevoerde reeds hierom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.10. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

241-382.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,