Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200200052/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200052/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleesvarkenshouderij gelegen aan de [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 22 november 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. C.M.J.M. van Esch, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde], zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend voor het houden van 1400 vleesvarkens (Groen Label-stal BB 99.02.070), 804 vleesvarkens (Groen Label-stal BB 99.02.069) en 826 vleesvarkens (Groen Label-stal BB 96.10.042 V1/D 99.06.075).

2.2. Verweerders hebben gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen de beroepsgronden inzake de bestaande rechten op de locatie [locatie] en het afwijken van de waarden voor N van de waarden N die zijn genoemd in de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek uit het rapport “Beoordeling cumulatie van stankhinder door intensieve veehouderij”, Publicatiereeks Lucht nr. 46 (hierna: het rapport).

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Wat de beroepsgrond inzake de bestaande rechten op de [locatie] betreft, is gebleken dat appellante in haar bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit in algemene zin heeft aangevoerd dat zij bezwaar heeft tegen de ontoelaatbare toename van de geuremissie in een reeds overbelaste situatie en dat de oude rechten, in tegenstelling tot hetgeen verweerders in het ontwerp van het besluit hebben gesteld, niet volledig in stand zijn gebleven. Hoewel appellante in dit verband heeft gewezen op de vaststelling van de bestaande rechten ten aanzien van het veebestand dat werd gehouden op de [locatie], kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden staande gehouden dat de beroepsgrond niet zijn grondslag zou kunnen vinden in het voornoemde in de bedenkingen verwoorde algemene bezwaar. Het beroep op dit punt is derhalve ontvankelijk.

De beroepsgrond inzake het afwijken van de waarden voor N van de waarden N die zijn genoemd in de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek uit het rapport vindt, anders dan verweerders hebben gesteld, eveneens zijn grondslag in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat verweerders de cumulatieve stankhinder onjuist hebben beoordeeld. Het beroep is ook in zoverre ontvankelijk.

2.3. Appellante heeft aangevoerd dat verweerders het bestreden besluit ten onrechte niet hebben getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij.

In artikel 10, negende lid, van de Wet ammoniak en veehouderij is bepaald dat indien de aanvraag van een vergunning voor een veehouderij is ingediend voor 8 december 2000 het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing blijft tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

De aanvraag om onderhavige milieuvergunning is op 20 november 2000 bij verweerders binnengekomen, zodat verweerders, gelet op genoemd artikel, terecht de Wet ammoniak en veehouderij buiten beschouwing hebben gelaten, hetgeen appellante ter zitting heeft erkend. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Appellante betoogt dat er sprake is van een onaanvaardbare toename van geurhinder. Zij voert hiertoe aan dat verweerders de bestaande rechten onjuist hebben vastgesteld.

2.4.1. Verweerders menen dat vergunningverlening kan worden gerechtvaardigd met toepassing van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.4.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, zoals dat luidde tot 1 maart 1993, vervalt de vergunning, wanneer een gedeelte van de inrichting is verwoest dan wel gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking is geweest, voor dat gedeelte.

2.4.3. De vergunningaanvraag en de bij het bestreden besluit verleende vergunning hebben betrekking op de samenvoeging van twee afzonderlijke inrichtingen, te weten de inrichting gelegen aan de [locatie] en de inrichting gelegen aan de [locatie]. Op 22 november 1983 is voor de inrichting gelegen aan de [locatie] een oprichtingsvergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 598 gespeende biggen en 794 vleesvarkens. Op deze datum is tevens een oprichtingsvergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 1148 vleesvarkens aan de [locatie]. Op 13 augustus 1996 is krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 1320 vleesvarkens aan de [locatie]. In voorschrift 4.1.2 van deze vergunning is bepaald dat binnen een termijn van 5 jaar na vergunningverlening het aantal vleesvarkens op het bedrijf [locatie] dient te worden teruggebracht met 172 vleesvarkens. Niet in geschil is dat er sprake is van een uit het oogpunt van stankhinder overbelaste situatie.

2.4.4. Uit de meitellingen en de door verweerders overgelegde overzichtstaat blijkt dat op de [locatie] slechts 500 vleesvarkens zijn gehouden. Voorts blijkt uit deze meitellingen dat op de [locatie] meer vleesvarkens zijn gehouden dan waarvoor vergunning is verleend. Gelijk appellante heeft betoogd, betekent dit evenwel niet dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het in de meitellingen genoemde te veel aan vleesvarkens op de locatie [locatie] is gehouden op de locatie [locatie].

Niet aannemelijk is geworden of op de locatie [locatie] onvoldoende plaatsen aanwezig waren om de in de meitellingen genoemde dieren te huisvesten. Voorts is niet gebleken hoeveel vleesvarkens afkomstig van de locatie [locatie] daadwerkelijk op de locatie [locatie] zijn gehuisvest. Hierbij overweegt de Afdeling dat een controlemeting uit 1993 op de locatie [locatie] geen aanknopingspunten biedt voor de beantwoording van de vraag of in de periode vanaf 1983 gedurende drie achtereenvolgende jaren sprake is geweest van onderbezetting. Verweerders hebben derhalve niet voldoende onderzocht in hoeverre de onderliggende vergunning voor een deel van het vergunde veebestand ingevolge artikel 27, derde lid, van de Hinderwet van rechtswege is vervallen.

Verder overweegt de Afdeling ten aanzien van de vaststelling van de bestaande rechten op de locatie [locatie] dat voorschrift 4.1.2 van de vergunning van 1996 ertoe strekt dat vanaf 14 augustus 2001 slechts 1148 dieren binnen de inrichting gelegen aan de [locatie] mogen worden gehouden. Anders dan verweerders hebben betoogd moet dit voorschrift bij de bestaande rechten worden betrokken, zodat verweerders ten onrechte zijn uitgegaan van een veebestand van 1320 vleesvarkens.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten dient te vergaren. Verder moet de in het bestreden besluit neergelegde motivering niet deugdelijk worden geacht, zodat het bestreden besluit tevens is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode van 13 november 2001;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Sint-Oedenrode te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Sint-Oedenrode aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

312-374.