Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200004809/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004809/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. burgemeester en wethouders van Meijel,

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

3. [appellant], wonend te [woonplaats],

4. de stichting “Stichting Werkgroep Behoud de Peel”, gevestigd te Deurne,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 1999 heeft de gemeenteraad van Meijel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 29 november 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "Reparatieherziening van het bestemmingsplan Buitengebied 1999". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 25 juli 2000, kenmerk 2000/31329M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben burgemeester en wethouders van Meijel bij brief van 17 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2000, [appellant sub 2] bij brief van 9 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2000, [appellant sub 3] bij brief van 11 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2000, de stichting Werkgroep Behoud de Peel bij brief van 8 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 januari 2001 hebben verweerders medegedeeld af te zien van het indienen van een verweerschrift.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 april 2002 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerders, de gemeenteraad van Meijel en [belanghebbende] hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Doel van het plan

2.2. Het plan betreft het buitengebied van de gemeente Meijel en is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied 1992”. Verweerders en de Kroon (bij uitspraak van 19 juli 1997, no. 97.003389) onthielden destijds goedkeuring aan delen van het plan. Het voorliggende plan is opgesteld om te voldoen aan de herzieningsplicht op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Daarnaast beoogt de gemeenteraad het plan uit 1992 op onderdelen te actualiseren.

2.3. Verweerders hebben het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

Toetsingskader

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Beroep stichting Werkgroep Behoud de Peel: hoorzitting

2.5. De stichting Werkgroep Behoud de Peel (hierna: de Werkgroep) stelt dat zij zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de hoorzitting die op 15 juni 2000 door verweerders werd gehouden. Het ambtelijk rapport dat appellante opvroeg, ontving zij twee dagen vóór de hoorzitting. Andere opgevraagde stukken heeft zij naar eigen zeggen nooit ontvangen.

2.5.1. Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stellen verweerders degenen die overeenkomstig het eerste of tweede lid bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

Uit de stukken blijkt dat verweerders op 15 juni 2000 een hoorzitting hebben gehouden, waar appellante haar bedenkingen mondeling heeft kunnen toelichten. Hiermee hebben verweerders voldaan aan het bepaalde in artikel 27, derde lid. Het beschikbaar stellen van een ambtelijk rapport en de door appellante bedoelde andere stukken is geen wettelijk vereiste en evenmin noodzakelijk om bedenkingen te kunnen toelichten.

De Afdeling ziet in dit beroepsonderdeel dan ook geen reden het bestreden besluit te vernietigen.

2.5.2. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

Beroepen de Werkgroep en burgemeester en wethouders van Meijel: vrijkomende agrarische bebouwing

2.6. De Werkgroep voert aan dat verweerders ten onrechte de planregeling voor het vestigen van niet-agrarische bedrijven in vrijkomende agrarische bebouwing hebben goedgekeurd. Volgens appellante is de regeling te ruim en zal het buitengebied als gevolg hiervan verstenen en dichtslibben.

Burgemeester en wethouders van Meijel voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de mogelijkheid vrijkomende agrarische bebouwing te hergebruiken als manege.

2.6.1. De gemeenteraad heeft in artikel 2.02, zevende lid, onder A, sub 2, van de planvoorschriften bepaald dat de bestemming “Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)” onder voorwaarden kan worden gewijzigd in de bestemming “Bedrijfsdoeleinden B”, ten behoeve van de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf in vrijkomende agrarische bebouwing.

2.6.2. Wat betreft hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing hebben verweerders overwogen dat het plan voldoende waarborgen biedt om eventuele negatieve effecten hiervan tegen te gaan. Zij hebben het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en goedgekeurd.

2.6.3. Het provinciale beleid ten aanzien van hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing is neergelegd in de Handleiding bestemmingsplannen van juli 1999 (hierna: de handleiding). Dit beleid is erop gericht niet aan het buitengebied gebonden functies in beginsel uit dit gebied te weren. Over hergebruik van bebouwing door niet-agrarische bedrijven stelt de handleiding dat een afweging dient te worden gemaakt op basis van milieuhygiënische en visueel-ruimtelijke inpasbaarheid en verkeersaantrekkende werking. Het gemeentebestuur dient een lijst op te stellen waarop is aangegeven welke niet-agrarische bedrijven zich in vrijkomende agrarische bebouwing kunnen vestigen. Bovendien moet in het bestemmingsplan een onderscheid worden gemaakt naar gebiedstypen.

Uit het voorgaande volgt dat het provinciale beleid ten aanzien van hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing terughoudend is, maar hergebruik onder voorwaarden toch mogelijk maakt. Naar het oordeel van de Afdeling is dit beleid niet onredelijk.

Op grond van artikel 2.02, zevende lid, onder A, sub 2, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders van hun wijzigingsbevoegdheid gebruik maken als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo mogen bijvoorbeeld als gevolg van hergebruik geen onevenredige belemmeringen ontstaan voor omliggende functies, mogen de ontwikkelingen van bestaande agrarische bedrijven niet worden beperkt en mag de bouwmassa op de lange termijn niet toenemen. Verder moet de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf ook op grond van de tabel en op grond van bijlage III bij de planvoorschriften zijn toegestaan.

In de tabel worden aanvullende voorwaarden gesteld die onderscheid maken naar het type gebied waarin de agrarische bebouwing ligt. In bijlage III is een lijst van bedrijven opgenomen die zich mogen vestigen in vrijkomende agrarische bebouwing.

Op grond van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders terecht hebben overwogen dat het bestreden plandeel met hun beleid in overeenstemming is. Niet gebleken is, gelet ook op de bevindingen in het deskundigenbericht, dat het plangebied zodanige waarden bezit dat verweerders in dit geval in redelijkheid niet aan hun beleid konden vasthouden.

2.6.3.1. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.6.3.2. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

2.6.4. Wat betreft de mogelijkheid een manege te vestigen in vrijkomende agrarische bebouwing hebben verweerders overwogen dat deze functie te rangschikken is onder toeristisch-recreatief gebruik. Een dergelijk gebruik hoort naar hun mening niet zonder meer thuis in het buitengebied. Hieraan dient beleid ten grondslag te liggen waarbij de diverse betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen. Verweerders hebben daarom goedkeuring onthouden aan het woord “manege” in bijlage III, onder A, van de planvoorschriften.

2.6.5. In de begripsbepalingen bij de planvoorschriften, onder nummer 36, wordt het begrip manege omschreven als “een bedrijf, dat gericht is op het bieden van paardrijaccomodatie aan derden en het geven van paardrijlessen, alsmede de uitoefening van de hippische sport, waartoe horeca-activiteiten als ondergeschikte functie zijn toegestaan”. De Afdeling is van oordeel dat verweerders terecht hebben overwogen dat een manege zoals bedoeld in de planvoorschriften een zeker toeristisch-recreatief element heeft en niet gelijk kan worden gesteld aan de agrarisch aanverwante bedrijven in bijlage III.

Het standpunt van verweerders dat een dergelijk bedrijf vanwege zijn toeristisch-recreatief karakter niet zonder meer thuishoort in het buitengebied, acht de Afdeling niet onredelijk. Een strenger vestigingsbeleid voor maneges dan voor de overige agrarisch aanverwante bedrijven in bijlage III, waaronder bloembollenbedrijven, plantsoenendiensten en paardenhouderijen, hebben verweerders dan ook gerechtvaardigd kunnen vinden.

2.6.5.1. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom in zoverre terecht goedkeuring onthouden aan het plan.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.6.5.2. Het beroep van burgemeester en wethouders van Meijel is in zoverre ongegrond.

Beroep Werkgroep: overige beroepsgronden

2.7. De Werkgroep voert aan dat verweerders de maximaal toegestane oppervlakte voor glastuinbouw in de concentratiegebieden ten onrechte hebben goedgekeurd. Naar de mening van appellante wordt aan glastuinbouwbedrijven in deze gebieden te veel ruimte geboden, waardoor de openheid van het landschap verloren zal gaan.

2.7.1. De gemeenteraad heeft overwogen dat in het plan een onderscheid wordt gemaakt tussen open gebieden en weidevogelgebieden enerzijds en concentratiegebieden anderzijds. In deze laatste gebieden wordt aan agrarische bedrijven meer ruimte geboden, maar ook hier is het “bouwkavel op maat”-principe toegepast.

2.7.2. Verweerders zijn van mening dat het plan wat betreft de maximale oppervlakte voor glastuinbouw in overeenstemming is met hun beleid. Zij hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en goedgekeurd.

2.7.3. In het streekplan Noord- en Midden Limburg (hierna: het streekplan) is het beleid van verweerders over concentratiegebieden neergelegd. In het streekplan worden zogenoemde centrumgebieden aangewezen, waar agrarische bedrijven, zoals glastuinbouwbedrijven, ruime ontwikkelingsmogelijkheden krijgen. Voor de omvang van bouwkavels in centrumgebieden geldt het “bouwkavel op maat”-principe, hetgeen betekent dat aan elk agrarisch bedrijf een bouwkavel moet worden toegekend op basis van een afweging tussen de agrarische noodzaak en andere belangen en waarden. De omvang van de bouwkavel, aldus het streekplan, moet daarbij worden afgestemd op de behoefte van het bedrijf en een zo efficiënt mogelijk gebruik van de ruimte binnen de bouwkavel.

De Afdeling acht het beleid van verweerders over concentratiegebieden niet onredelijk en stelt op grond van de stukken vast dat het plan hiermee in overeenstemming is. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerders in dit geval in redelijkheid niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

2.7.3.1. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.7.3.2. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Het beroep van de Werkgroep richt zich verder tegen de door verweerders goedgekeurde wijzigingsbevoegdheden in het plan voor het vergroten van bouwkavels en de nieuwvestiging van agrarische bedrijven. Zij is van mening dat de planvoorschriften onvoldoende waarborgen dat natuurwaarden worden beschermd. Het gaat dan met name om gebieden met de bestemming “Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden”, gebieden aangeduid als “weidevogelgebied” en “landschappelijk open agrarisch gebied”, het leefgebied van de das en het gebied langs de EHS. De Werkgroep voert aan dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met het Koninklijk besluit van 19 juli 1997 (hierna: het KB) en daarom in strijd met artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vastgesteld.

2.8.1. De gemeenteraad heeft in het plan de mogelijkheid opgenomen dat de bestemmingen “Agrarische doeleinden A” en “Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden” kunnen worden gewijzigd in de bestemming “Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)” voor de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf dan wel voor de vergroting van een bestaand agrarisch bedrijf. Burgemeester en wethouders kunnen van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik maken indien wordt voldaan aan een aantal in de planvoorschriften opgenomen voorwaarden.

2.8.2. Verweerders vinden het plan op dit punt in overeenstemming met het provinciale beleid. Zij zijn van mening dat de planvoorschriften voldoende waarborgen bieden om een juiste afweging te kunnen maken van de in het gebied aanwezige belangen. Verweerders hebben het plan in zoverre goedgekeurd.

2.8.3. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1992” was nieuwvestiging van agrarische bedrijven in gebieden aangewezen als “weidevogelgebied” uitgesloten. In het KB overwoog de Kroon dat ook in andere gebieden nieuwvestiging verder zou moeten worden beperkt. Zo diende nieuwvestiging van intensieve agrarische bedrijven te worden uitgesloten in gebieden met de bestemming “Agrarische doeleinden A” die tevens waren aangeduid als “landschappelijk en open agrarisch gebied”. Verder zou nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in gebieden met de bestemming “Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden Aln” wat betreft de weidevogelgebieden en de landschappelijk open agrarische gebieden niet door middel van een planwijziging, maar door middel van een planherziening mogelijk moeten zijn. Nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in gebieden met landschappelijke en natuurwaarden en in grootschalige open gebieden was naar het oordeel van de Kroon ongewenst. Tot slot achtte de Kroon de mogelijkheid voor wijziging van de bestemming “Woondoeleinden W” ten behoeve van nieuwvestiging van agrarische bedrijven te ruim.

In het voorliggende plan is planwijziging voor nieuwvestiging en vergroting van agrarische bedrijven in de planvoorschriften gekoppeld aan een aantal voorwaarden. Nieuwvestiging of vergroting van grondgebonden agrarische bedrijven is niet toegestaan in de “weidevogelgebieden” en de “landschappelijk open agrarische gebieden” zoals aangegeven op de kaart “Ruimtelijke en functionele karakteristiek”. Een bouwkavel mag niet groter zijn dan 1,5 hectare. Verder wordt onder meer als voorwaarde gesteld dat van nieuwvestiging of vergroting geen onevenredige schadelijke effecten te verwachten zijn voor het milieu en/of de waarden die zijn aangegeven op de kaart “Ruimtelijke en functionele karakteristiek” of dat is aangetoond dat deze effecten voldoende kunnen worden ondervangen.

Nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven is alleen toegestaan binnen het “Concentratiegebied” dat op de plankaart is aangegeven. Vergroting van niet-grondgebonden agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven is niet toegestaan in het “weidevogelgebied” dat is aangegeven op de kaart “Ruimtelijke en functionele karakteristiek”. Vergroting is verder alleen toegestaan als hiervan geen onevenredige schadelijke effecten te verwachten zijn voor het milieu en/of de waarden die zijn aangegeven op de kaart “Ruimtelijke en functionele karakteristiek” of als is aangetoond dat deze voldoende kunnen worden ondervangen.

2.8.3.1. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het standpunt van appellante dat het plan niet in overeenstemming zou zijn met het KB.

Het plan is in zoverre dan ook niet in strijd met artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestreden plandeel.

2.8.3.2. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

2.9. De Werkgroep richt haar beroep verder tegen de goedkeuring door verweerders van het plandeel met de aanduiding “weidevogelgebied”. Zij is van mening dat gebieden langs de Langstraat en langs de Nederweerterdijk ten onrechte niet zijn aangewezen als weidevogelgebied. Zij betoogt dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met het KB.

2.9.1. De gemeenteraad heeft op de plankaart “Ruimtelijke en functionele karakteristiek” delen van het plangebied aangewezen als “weidevogelgebied”.

2.9.2. Verweerders hebben het plan op dit onderdeel goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat de omvang en ligging van het “weidevogelgebied” in overeenstemming is met het KB en met het provinciale beleid ter zake.

2.9.3. In het KB is goedkeuring onthouden aan de aanduiding “landschappelijk open agrarisch gebied” voor het gebied ten zuiden van de Langstraat en ten westen van de Peelweg, met uitzondering van een 100 meter brede strook langs de Peelweg. De Kroon overwoog dat de nieuwvestiging van agrarische bedrijven in dit gebied uitgesloten diende te worden. Over het gebied tussen de Langstraat en de Nederweerterdijk heeft de Kroon zich in het KB niet uitgesproken.

De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat het gebied waaraan de Kroon goedkeuring heeft onthouden in het plan is voorzien van de aanduiding “weidevogelgebied”. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is hier uitgesloten. Verweerders hebben dan ook terecht overwogen dat het bestreden plandeel in overeenstemming is met het KB.

2.9.3.1. Gelet op het vorenstaande is het plan niet in strijd met artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Verweerders hebben het plan in zoverre dan ook terecht goedgekeurd.

2.9.3.2. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

2.10. De Werkgroep voert verder aan dat verweerders de regeling voor het gebruik van lage kassen en afdekfolie ten onrechte hebben goedgekeurd. De gedeeltelijke onthouding van goedkeuring van verweerders op dit punt gaat volgens appellante niet ver genoeg. Ook in open gebieden met de bestemming “Agrarische doeleinden A” moet het plaatsen van tunnelkassen lager dan 1,50 meter worden verboden. Het gebruik van afdekfolie dient in het plan verder te worden beperkt. Volgens appellante hebben verweerders haar bezwaren op dit punt onvoldoende besproken.

2.10.1. De gemeenteraad heeft in artikel 2.05, zesde lid, onder A, sub 4, van de planvoorschriften opgenomen dat voor gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden A” een aanlegvergunning is vereist voor het aanleggen van lage boogkassen, voor zover het betreft de gebieden met de differentiatie “ruimtelijke en functionele karakteristiek” en “landschappelijk open agrarisch gebied”. In artikel 2.06, zesde lid, onder A, sub 9, van de planvoorschriften is voor gebieden met de bestemming “Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden” een aanlegvergunning vereist voor het plaatsen van lage boogkassen, voor zover deze gebieden tevens de differentiaties “landschappelijk open gebied”, “bufferzone 2” of “bufferzone 4” hebben.

2.10.2. Verweerders hebben overwogen dat de gemeenteraad het plaatsen van lage tunnelkassen niet in alle gebieden met natuurwaarden afhankelijk heeft gesteld van een aanlegvergunning. Dit is volgens verweerders niet in overeenstemming met de handleiding waarin het provinciale beleid is neergelegd. Zij hebben daarom goedkeuring onthouden aan artikel 2.06, zesde lid, onder A, sub 9, van de planvoorschriften. Voor het overige achten verweerders de planregeling voor kassen lager dan 1,50 meter in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

2.10.3. Wat betreft de stelling van appellante dat verweerders niet zijn ingegaan op haar bedenkingen over het gebruik van afdekfolie overweegt de Afdeling het volgende. Verweerders hebben de bedenkingen van appellante tegen deze planregeling in aanmerking genomen, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen het gebruik van afdekfolie en lage kassen. Voor afdekfolie en lage kassen geldt echter dezelfde planregeling, zodat de Afdeling van oordeel is dat verweerders met een gezamenlijke beoordeling konden volstaan.

Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.10.3.1. Op grond van het provinciale beleid, neergelegd in de handleiding, zijn boogkassen lager dan 1,50 meter onder voorwaarden toelaatbaar. De toelaatbaarheid moet afhankelijk worden gesteld van de landschappelijke, cultuurhistorische of ecologische waarden van het gebied. Voor gebieden met een agrarische bestemming, aldus de handleiding, kan het nodig zijn een gebruiksverbod op te nemen met de mogelijkheid tot vrijstelling. Voor agrarische gebieden met landschappelijke en/of natuurlijke waarden is een gebruiksverbod met de mogelijkheid tot vrijstelling altijd noodzakelijk. De vrijstellingsbepaling moet duidelijke criteria bevatten, waaronder de niet onevenredige inbreuk op natuur- en landschapswaarden.

Ingevolge de planvoorschriften die hiervoor zijn weergegeven, is geen aanlegvergunning vereist voor lage kassen in gebieden met de bestemming “Agrarische doeleinden A” die niet tevens als “landschappelijk open gebied” zijn aangeduid. Het deskundigenbericht vermeldt dat deze gebieden niet zodanige waarden hebben dat lage kassen hier slechts met een aanlegvergunning of vrijstelling mogen worden geplaatst.

Een uitzondering hierop is het gebied met de bestemming “Agrarische doeleinden A” dat tevens is aangeduid als “weidevogelgebied”. Gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat het gebruik van tunnelkassen en afdekfolies hier, vanwege de waarde van het gebied voor weidevogels, slechts beperkt mogelijk zou moeten zijn. Daarbij dient met name te worden gedacht aan de seizoenen waarin de weidevogels aanwezig zijn.

2.10.3.2. Verweerders hebben dit in hun besluit miskend. Gelet hierop en gelet ook op het provinciale beleid voor het plaatsen van kassen en afdekfolies zoals hierboven omschreven, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre gegrond.

Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden A” dat tevens is aangeduid als “weidevogelgebied”.

2.11. Tot slot richt het beroep van de Werkgroep zich tegen goedkeuring van enkele bouwkavels in het plangebied door verweerders.

Ter zitting heeft appellante haar beroep voor zover gericht tegen bouwkavels in bufferzone 4, ingetrokken.

2.11.1. De gemeenteraad heeft blijkens de stukken de zogenoemde “bouwkavel op maat”-methode gebruikt bij het toekennen van bouwkavels. Dit houdt in dat de wensen van de betrokken agrariërs als uitgangpunt zijn genomen. Aan de hand van gegevens over de economische bedrijfsgrootte, het aantal aanwezige bedrijfswoningen, de leeftijd van het bedrijfshoofd en concrete uitbreidingsplannen is een bouwkavel op de plankaart opgenomen.

2.11.2. Verweerders zijn van mening dat het plan, voor wat betreft het toekennen van bouwkavels, in overeenstemming met het provinciale beleid tot stand is gekomen. Ook het provinciale beleid gaat uit van de “bouwkavel op maat”-methode. In de individuele gevallen die appellante noemt, is deze methode volgens verweerders juist toegepast. Zij hebben het plan in zoverre dan ook goedgekeurd.

2.11.3. Zoals onder 2.7.3. reeds is overwogen, houdt het “bouwkavel op maat”-principe in dat aan elk agrarisch bedrijf een bouwkavel moet worden toegekend op basis van een afweging tussen de agrarische noodzaak en andere belangen en waarden. De omvang van de bouwkavel, aldus het streekplan, moet daarbij worden afgestemd op de behoefte van het bedrijf en een zo efficiënt mogelijk gebruik van de ruimte binnen de bouwkavel.

In het streekplan zijn voorts per productierichting maximale maten voor agrarische bouwkavels opgenomen. Zo geldt voor een intensieve veehouderij een bovengrens van 1,5 hectare en voor een glastuinbouwbedrijf een bovengrens van 3 hectare. Deze grenzen gelden ook in gebieden die zijn aangewezen als “agrarisch gebied met weinig bebouwing”, “ecologische ontwikkelingszone” en “ecologische verbindingszone”. Bedrijven die groter zijn of worden dan de gestelde bovengrens, aldus het streekplan, horen bij voorkeur thuis in een centrumgebied dat voor de betreffende productierichting is aangewezen. Uit het streekplan blijkt dat, mits goed gemotiveerd, van de hiervoor omschreven beleidslijnen kan worden afgeweken.

De Afdeling acht dit beleid van verweerders niet onredelijk.

2.11.3.1. Wat betreft het betoog van appellante dat een aantal bouwkavels in strijd met dit beleid zijn goedgekeurd, overweegt de Afdeling als volgt.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben naar voren gebracht dat de betrokken agrariër zijn bedrijf wenst uit te breiden met een containerveld. Op de bestaande bouwkavel bestaat geen ruimte meer voor uitbreiding. Het plan voorziet daarom in een uitbreidingsmogelijkheid aan de overzijde van de [locatie]. Verweerders achten de uitbreiding voor het bedrijf noodzakelijk en zijn van mening dat voldoende rekening is gehouden met de natuurwaarden van het gebied. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat de oppervlakte van de bouwkavel kleiner is dan 3 hectare.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

De bouwkavel die in het plan is opgenomen, biedt een uitbreidingsmogelijkheid aan de zuidzijde van de [locatie]. Verweerders hebben gesteld dat een afweging heeft plaatsgevonden tussen de bedrijfsbelangen en de natuurwaarden van het omliggende gebied. De oppervlakte van de bouwkavel wijkt marginaal af van de grens van 3 hectare.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben naar voren gebracht dat het hier gevestigde bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. De bouwkavel voorziet in een uitbreiding van het bedrijf naar een bruto oppervlakte van 30.625 m². Verweerders achten de geringe overschrijding van de grens van 3 hectare aanvaardbaar omdat de feitelijke bebouwingsmogelijkheden op het perceel beperkt worden door de bebouwingsgrenzen. Netto zal het bedrijf, zo is ook ter zitting aannemelijk geworden, ongeveer 2,9 hectare groot zijn.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

De bouwkavel ligt aan beide zijden van de [locatie]. Verweerders zijn van mening dat uitbreiding van de kavel in overeenstemming is met hun beleid. Zij hebben aangevoerd dat een afweging heeft plaatsgevonden tussen de bedrijfsbelangen en de natuurwaarden van het omliggende gebied. Als voorwaarde voor uitbreiding is gesteld dat het hemelwater bij de kas via een opvangbekken in de ondergrond kan infiltreren.

Uit het deskundigenbericht is verder af te leiden dat de oppervlakte van de bouwkavel de bovengrens uit het streekplan niet overschrijdt.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Deze bouwkavel voorziet in de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf buiten het concentratiegebied. Hoewel het beleid van verweerders erop is gericht deze bedrijven te vestigen in concentratiegebieden, hebben zij met het plan op dit punt ingestemd. Zij hebben naar voren gebracht dat voor de bouw van de kassen een bouwvergunning is afgegeven. Na een afweging van belangen in het kader van de “bouwkavel op maat”-methode kunnen verweerders met het bestreden plandeel instemmen. Uit het deskundigenbericht is verder af te leiden dat de oppervlakte van de bouwkavel kleiner is dan de maximaal toegestane oppervlakte uit het streekplan.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Deze bouwkavel is in het plan opgenomen voor een bedrijf dat vanuit de kern is verplaatst. De bouwkavel is, zo is ook af te leiden uit het deskundigenbericht, kleiner dan de maximaal toegestane oppervlakte. Verweerders achten de bouwkavel in overeenstemming met hun beleid. Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op dit standpunt gesteld. Verder is niet gebleken dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben naar voren gebracht dat het hier gevestigde bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. De uitbreidingsruimte die het plan biedt, is noodzakelijk voor aanpassing van het bedrijf aan eisen die volgen uit dierwelzijnswetgeving. De openheid van het gebied achter de bouwkavel wordt volgens verweerders niet onevenredig aangetast. Onder deze omstandigheden achten verweerders een overschrijding van de maximaal toegestane oppervlakte van 1,5 hectare aanvaardbaar.

Zij zijn van mening dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich gezien het vorenstaande terecht op dit standpunt gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […]), [locatie] (bouwkavel […]), [locatie] (bouwkavel […]) en [locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben aangevoerd dat de hier gevestigde bedrijven vrijwel geen uitbreidingsmogelijkheden meer hebben. De oppervlakten van de kavels, zo is ook af te leiden uit het deskundigenbericht, blijven onder de maximaal toegestane oppervlakten die in het streekplan worden gesteld. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het plan, voor wat betreft deze bouwkavels, in overeenstemming is met hun beleid. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op dit standpunt gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in deze gevallen niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

De bouwkavel, waarop blijkens de stukken een intensieve veehouderij is gevestigd, is ongeveer 1,6 hectare groot. Hoewel dit een overschrijding inhoudt van de maximaal toegestane oppervlakte uit het streekplan, achten verweerders het plan op dit punt aanvaardbaar.

Zij hebben hieraan ten grondslag gelegd dat de uitbreiding beperkt is en dient voor de bouw van een mestsilo, spoelplaats en kadaverplaats. De bouw van deze voorzieningen kan volgens verweerders een zwaardere belasting van het milieu voorkomen. Zij hebben, in verband met de natuurwaarden van het omliggende gebied, geen medewerking verleend aan de bouw van een brijkeuken, bunkers en een opslagplaats. Verweerders merken verder op dat de netto oppervlakte van de bouwkavel binnen het in het streekplan gestelde maximum blijft door de ligging van de gevelrooilijn. Bovendien is volgens verweerders meer bestaande bebouwing aanwezig dan de kadastrale ondergrond van de plankaart suggereert.

Verweerders zijn van mening dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met het provinciale beleid. Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich terecht op dit standpunt hebben gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders zijn van mening dat de omvang en ligging van deze bouwkavel in overeenstemming is met hun beleid. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het gaat om een tweede bouwkavel van een bedrijf. De totale oppervlakte van de bouwkavel bedraagt 1,3 hectare, hetgeen minder is dan de maximaal toegestane oppervlakte van 1,5 hectare.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

De bouwkavel, waarop een intensieve veehouderij is gevestigd, is ongeveer 1,5 hectare groot. De omvang en ligging van de kavel zijn afgestemd op een te bouwen stal, waarvoor reeds een bouwvergunning is verleend. Verweerders zijn van mening dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op dit standpunt gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben naar voren gebracht dat een uitbreidingsmogelijkheid voor het bedrijf noodzakelijk is en dat de grootte van de bouwkavel de bovengrens uit het streekplan niet overschrijdt. Zij kunnen, gelet op de lengte van het naastgelegen perceel, instemmen met de diepte van de bouwkavel.

Gezien het voorgaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met hun beleid. Niet gebleken is dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

De hier gevestigde intensieve veehouderij had blijkens de stukken reeds enige tijd uitbreidingsplannen. Verweerders hebben aangevoerd dat de omvang van de bouwkavel, te weten 7.350 m², veel kleiner is dan de bovengrens uit het streekplan. Zij stellen zich op het standpunt dat het plan in zoverre overeenstemt met het provinciale beleid. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich terecht op dit standpunt hebben gesteld. Niet gebleken is dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben overwogen dat de omvang van de bouwkavel is afgestemd op een bedrijfsuitbreiding waarvoor reeds bouwvergunningen zijn verleend. De uitbreiding is volgens verweerders nodig vanwege een concrete aanpassing van het bedrijf aan eisen die volgen uit dierwelzijnswetgeving. Hoewel de in het streekplan genoemde oppervlakte wordt overschreden, kunnen zij gezien het vorenstaande met de omvang van de bouwkavel instemmen. Zij zijn dan ook van mening dat het plan in zoverre niet in strijd is met het provinciale beleid.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op dit standpunt gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Verweerders hebben aangevoerd dat een kleine vergroting van de bouwkavel nodig is om te voldoen aan dierwelzijnswetgeving. De omvang van de bouwkavel is weliswaar groter dan de in het streekplan genoemde oppervlakte, maar de bouwkavel wordt niet uitgebreid in de richting van het weidevogelgebied.

Verweerders vinden de omvang en ligging van de bouwkavel aanvaardbaar en zijn van mening dat er geen sprake is van strijd met het streekplan.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op dit standpunt gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

[locatie] (bouwkavel […])

Op dit perceel is een kwekerij gevestigd, die wordt uitgebreid met een containerveld. Blijkens het deskundigenbericht is de bouwkavel ongeveer 1,4 hectare groot, hetgeen minder is dan de oppervlakte die wordt genoemd in het streekplan. Gelet hierop zijn verweerders van mening dat het plan in zoverre niet in strijd is met het provinciale beleid. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op dit standpunt gesteld. Voorts is niet gebleken dat zij in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

2.11.4. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.11.5. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

Beroepen burgemeester en wethouders van Meijel en [appellant sub 2]: dierenpension [locatie]

2.12. Burgemeester en wethouders van Meijel en [appellant sub 2] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de zinsnede “en paarden” in artikel 2.18, eerste lid, van de planvoorschriften en aan een vergroting van de bouwkavel van het bedrijf.

2.12.1. De gemeenteraad heeft de gronden van [appellant sub 2] bestemd als “Dierenpension Do(d)”. Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, van de planvoorschriften, mag op gronden met deze bestemming een bedrijf worden uitgeoefend voor het onderbrengen, het verzorgen en het fokken van honden, katten en paarden. Voorts voorziet het plan in een uitbreidingsmogelijkheid voor het bedrijf.

2.12.2. Verweerders hebben overwogen dat zij een restrictief beleid voeren voor niet-agrarische functies in het buitengebied. Deze functies dienen in beginsel uit het buitengebied te worden geweerd. Een paardenpension is volgens verweerders, evenals als een manege, een niet-agrarische functie. Een verruiming van het gebruik van de gronden als paardenpension achten zij in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen zij daarom niet goedkeuren.

Verder vinden verweerders dat een vergroting van de bouwkavel voor nieuwbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Een eventuele uitbreiding van het bedrijf zal moeten plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing.

2.12.3. Het restrictieve beleid van verweerders ten aanzien van niet-agrarische functies in het buitengebied acht de Afdeling niet onredelijk.

Het bedrijf van [appellant sub 2] beslaat blijkens het deskundigenbericht thans ongeveer 935 m². Appellant wenst zijn bedrijf uit te breiden met een bedrijfshal, 20 paardenboxen, een binnenhal, verzorgings- en kantoorruimten en een rijbak. Het bedrijf zou na deze uitbreiding ongeveer 2185 m² groot kunnen worden.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders een uitbreiding van een dergelijke omvang terecht in strijd met hun beleid geacht. Niet is gebleken dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

2.12.3.1. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom in zoverre terecht goedkeuring onthouden aan het plan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.12.3.2. De beroepen van burgemeester en wethouders van Meijel en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

Beroep [appellant sub 3]

2.13. [appellant sub 3] betoogt dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd voor zover dit geen regeling bevat voor woningsplitsing. Verder is appellant van mening dat de maximale oppervlakte voor bijgebouwen ten onrechte is goedgekeurd. Deze regeling is volgens appellant te beperkt. Hij wijst erop dat andere bestemmingsplannen een ruimere regeling voor bijgebouwen kennen.

Appellant heeft zijn beroepsgrond gericht tegen de goedkeuring van de bestemming “Agrarische doeleinden A” voor een deel van zijn perceel, ter zitting ingetrokken.

2.13.1. De gemeenteraad stelt dat een splitsingsregeling het behoud van panden met architectonische en/of cultuurhistorische waarden zou kunnen bevorderen. Dergelijke boerderijen zijn echter niet of nauwelijks in het plangebied aanwezig. Ook de boerderij van appellant aan de [locatie] bezit volgens de gemeenteraad niet dergelijke waarden. Bovendien kan uitbreiding van het aantal woningen in het buitengebied beperkingen opleveren voor nabij gelegen agrarische bedrijven. De gemeenteraad heeft daarom geen splitsingsregeling in het plan opgenomen.

2.13.2. Verweerders kunnen met het standpunt van de gemeenteraad instemmen. Zij overwegen dat ook het provinciale beleid erop gericht is burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. Zij achten het plan met dit beleid in overeenstemming. Verder is hen niet gebleken dat het pand van appellant zodanige monumentale waarden bezit, dat op hun beleid een uitzondering zou moeten worden gemaakt.

2.13.3. Verweerders voeren blijkens het voorgaande een restrictief beleid voor burgerwoningen in het buitengebied, waarop een uitzondering kan worden gemaakt als sprake is van een waardevol pand. De Afdeling acht dit beleid op zichzelf genomen niet onredelijk. In geschil is of het plan voor wat betreft de boerderij van appellant met dit beleid in overeenstemming is.

In het deskundigenbericht wordt vermeld dat splitsing van de woning van appellant niet noodzakelijk is voor de instandhouding van het gebouw. Verder zou splitsing slechts door grootschalige en kostbare verbouwingen mogelijk zijn. De boerderij van appellant is niet aangemerkt als monument, aldus het deskundigenbericht. Niet gebleken is dat deze bevindingen onjuist zijn.

Gelet ook op het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk gemaakt dat de boerderij van appellant zodanige waarden bevat dat een splitsingsregeling in het plan ten behoeve van dit pand niet kan worden gemist. Verweerders hebben dan ook terecht overwogen dat het plan met hun beleid in overeenstemming is. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerders in redelijkheid niet aan dit beleid konden vasthouden.

2.13.3.1. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.13.3.2. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

2.13.4. De gemeenteraad heeft in artikel 2.09, derde lid, onder B, sub 3, van de planvoorschriften bepaald dat de totale oppervlakte van bijgebouwen bij woningen niet meer dan 70 m² mag bedragen.

2.13.5. Verweerders hebben overwogen dat deze regeling in overeenstemming is met het provinciale beleid en hebben het plan op dit punt daarom goedgekeurd.

2.13.6. Op grond van het provinciale beleid, verwoord in de nota Bouwstenen Stads- en Dorpsgebieden en de handleiding, is de maximaal toegestane oppervlakte voor bijgebouwen bij woningen in het buitengebied 70 m². De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Het plan is hiermee in overeenstemming.

Verder is niet gebleken dat verweerders in het geval van appellant niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Dat in nabijgelegen gemeenten een ruimere bijgebouwenregeling zou gelden, maakt dit niet anders. Ter zitting is overigens gebleken dat het plan waar appellant op doelt, reeds enige jaren oud is en niet is getoetst aan het thans geldende beleid.

2.13.6.1. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.13.6.2. Het beroep van [appellant sub 3] is ook in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.14. Verweerders dienen voor wat betreft de Werkgroep op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Voor wat betreft de andere appellanten is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Stichting Werkgroep Behoud de Peel gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 25 juli 2000, kenmerk 2000/31329M, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden A” dat tevens is aangeduid als “weidevogelgebied”;

III. draagt gedeputeerde staten van Limburg op binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen, voor zover het betreft het onder II vernietigde plandeel;

IV. verklaart de beroepen van de Stichting Werkgroep Behoud de Peel, (voor het overige), burgemeester en wethouders van Meijel, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ongegrond;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door de Stichting Werkgroep Behoud de Peel in verband met de behandeling van haar beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 46,78; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de provincie Limburg aan de Stichting Werkgroep Behoud de Peel het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

218-332.