Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200200622/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200622/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting “Stichting Natuur- en Milieuplatform Brummen”, gevestigd te Eerbeek,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 17 december 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Brummen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders van Brummen (hierna: burgemeester en wethouders) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen een aangebrachte verharding op een perceel weiland tussen de [locatie] en de paardenstal, afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 13 juni 2000 gehandhaafd onder wijziging van de motivering. Het besluit van

28 november 2000 en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 22 augustus 2000, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 december 2001, verzonden op 19 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Ceelen, advocaat te Apeldoorn, en [bestuurslid], is verschenen. Burgemeester en wethouders zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen een illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien.

De aanwezigheid van een bijzonder geval kan worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.

2.2. Het geschil is beperkt tot het gedeelte van de verharding dat is gelegen op de grond met de bestemming “Agrarisch gebied van landschappelijke waarde”.

2.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften is de op de kaart voor “Agrarisch gebied van landschappelijke waarde” aangewezen grond bestemd voor:

a. één of meer vormen van agrarisch grondgebruik;

b. behoud, beheer en/of herstel van de bij het van kracht worden van het

plan aanwezige waarde.

Ingevolge het achtste lid, onder b, van dit artikel is de toelaatbaarheid van andere werken dan bouwwerken – alleen voor zover een aanlegvergunning vereist is – bepaald in artikel 82 van de planvoorschriften.

Ingevolge artikel 82, tweede lid, – voor zover hier van belang – kunnen burgemeester en wethouders, na ingewonnen advies van de Consulent Natuurbehoud, vergunning verlenen tot het uitvoeren van de in het eerste lid van dit artikel genoemde werken (waaronder verhardingen), voor zover de belangen welke de bestemming van de grond beoogt, zomede de natuurwaarde van de aangrenzende bestemmingen, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

2.4. Ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar hebben burgemeester en wethouders zich op het standpunt gesteld dat voor de verharding een aanlegvergunning is vereist en onmiddellijk concrete stappen gezet om tot verlening van de vergunning te komen.

De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat burgemeester en wethouders ten tijde van de beslissing op bezwaar reeds tot de conclusie hadden moeten komen dat in het licht van de criteria vervat in artikel 82, tweede lid, van de planvoorschriften het verlenen van een aanlegvergunning voor de aangebrachte verharding niet mogelijk zou zijn. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat er ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar geen concreet zicht op legalisering bestond en dat burgemeester en wethouders in verband daarmee in redelijkheid van handhavend optreden hebben kunnen afzien.

2.5. Het betoog van appelante dat burgemeester en wethouders in het kader van haar verzoek om handhavend op te treden hebben verzuimd het in artikel 82, tweede lid, van de planvoorschriften bedoelde advies van de Consulent Natuurbehoud in te winnen faalt, omdat dit advies eerst in het kader van het verlenen van de aanlegvergunning dient te worden gevraagd. Ook de overige bezwaren van appellante tegen de verharding kunnen in dat kader aan de orde te komen. Ter zitting is gebleken dat burgemeester en wethouders de aanlegvergunning inmiddels hebben verleend en dat appellante daartegen bezwaar heeft gemaakt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

202.