Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200201195/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201195/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te

's-Gravenhage van 16 januari 2002 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] te Leiden bouwvergunning met vrijstelling verleend voor het aanbrengen van een balkon en vluchtladder op het perceel [locatie] te Leiden.

Bij besluit van 17 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 15 augustus 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 januari 2002, verzonden op 18 januari 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is [vergunninghouder] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft te kennen gegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken.

Bij brief van 11 mei 2002 heeft [vergunninghouder] een memorie ingediend.

Bij brief van 24 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door T. Rasser, ambtenaar der gemeente, en [vergunninghouder] in persoon, zijn verschenen. Appellante is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hebben mogen besluiten tot het verlenen van de onderhavige vrijstelling en bouwvergunning.

2.2. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hoger-beroepschrift vrijwel identiek is aan het beroepschrift bij de rechtbank.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

202.