Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8015

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200100288/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200100288/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats]

2. [appellanten], wonend te [woonplaats]

3. [appellant], gevestigd te [plaats]

4. burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,

5. [appellanten], gevestigd te [plaats], respectievelijk wonend te [woonplaats]

6. [appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

7. [appellant], wonend te [woonplaats]

8. [appellant], wonend te [woonplaats]

9. [appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2000 heeft de gemeenteraad van Alphen aan den Rijn vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied". Het besluit van de gemeenteraad is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 12 december 2000, kenmerk DRGG/ARB/00/4866A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. Deze beroepschriften zijn aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 november 2001 (verder te noemen: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerders en de gemeenteraad van Alphen aan den Rijn hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts hebben zich doen vertegenwoordigen de [partijen], die zich als partij hebben gemeld.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op vrijwel het gehele buitengebied van de gemeente Alphen aan den Rijn. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Beroep van burgemeester en wethouders, beroep van [appellant sub 8] en beroep van [appellant sub 9]

2.4.1. Burgemeester en wethouders voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan artikel 28, eerste lid, onder c, van de voorschriften van het plan. Zij vinden dat het mogelijk moet blijven om beplantingen passend binnen het landschap mogelijk te maken.

2.4.1.1. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de gekozen redactie van het voorschrift kan leiden tot onduidelijkheid, verkeerde uitleg en met de bestemmingsdoeleinden in de artikelen 5 en 6 alsmede met het streekplan strijdige en ongewenste ontwikkelingen. Verweerders hebben een aantal aanwijzingen gegeven hoe de gemeenteraad bij het op te stellen plan op grond van artikel 30 van de WRO de geconstateerde onduidelijkheden kan herstellen.

2.4.1.2. In artikel 28, eerste lid, voorzover thans van belang, wordt het “bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen” op en in gronden met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid”, “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid en natuurwaarden”, “Natuurgebied” en “Natuur- en recreatiegebied“, alsmede voor gronden met de aanduiding “molenbiotoop”, verboden zonder een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur met evengenoemd aanlegvergunningstelsel het aanbrengen van in het landschap passende beplanting, de zogenoemde kleinschalige landschapselementen, wil reguleren. Bossen en commerciële boomgaarden behoren daar volgens het gemeentebestuur niet toe en zouden bovendien niet passen binnen de in de voorschriften gegeven doeleindenomschrijvingen van de diverse bestemmingen. De Afdeling stelt echter vast dat deze mogelijkheden niet van het verkrijgen van een aanlegvergunning zijn uitgesloten. Het standpunt van verweerders dat dit voorschrift tot onduidelijkheid en tot verkeerde uitleg kan leiden, is derhalve niet onjuist. Dat verweerders, naar burgemeester en wethouders stellen, hadden kunnen volstaan met het onthouden van goedkeuring aan het zinsdeel “bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen”, doet hier niet aan af.

Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de door verweerders gegeven aanwijzingen voor een plan op grond van artikel 30 van de WRO blijkt dat verweerders het aanbrengen van nieuwe beplanting op gronden met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid” en “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid en natuurwaarden” in het geheel niet in overeenstemming achten met de bestemmingsomschrijvingen. Gelet op de formulering in de artikelen 5, eerste lid, onder e en 6, eerste lid, onder d, acht de Afdeling dit standpunt niet onjuist. Voorzover verweerders, blijkens de door hen gegeven aanwijzingen een beperkte uitzondering hierop aanvaardbaar achten, kan de gemeenteraad hierin voorzien bij het op te stellen plan op grond van artikel 30 van de WRO. Dat verweerders in verband met het voorgaande ook het aanlegvergunningvereiste in relatie tot de molenbiotoop concreter geregeld willen zien, is niet onredelijk.

Uit de door verweerders gegeven aanwijzingen blijkt voorts dat verweerders het aanbrengen van nieuwe beplanting op gronden met de bestemmingen “Natuurgebied” en “Natuur- en recreatiegebied“ niet geheel onmogelijk achten. Zij wensen echter dat het aanlegvergunningstelsel beter afgestemd op de afzonderlijke bestemmingen in het plan wordt vastgelegd. Ook dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk.

2.4.1.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht op dit punt goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

2.4.2. Burgemeester en wethouders voeren voorts aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan artikel 15, zesde lid, van de voorschriften. Zij menen dat de in dit artikel geregelde vrijstellingsmogelijkheid voor vergroting van woningen naar 550 m3 met voldoende waarborgen is omkleed.

2.4.2.1. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben hierbij in aanmerking genomen dat volgens het provinciaal beleid de inhoudsmaat voor burgerwoningen in het buitengebied maximaal 500 m3 mag bedragen.

2.4.2.2. In artikel 15, zesde lid, van de voorschriften wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven vrijstelling te verlenen van de bepaling dat de inhoud van bestaande woningen niet meer mag bedragen dan de bestaande inhoud, ten behoeve van het vergroten van de woning tot 550 m3. Aan deze vrijstellingsmogelijkheid zijn enkele voorwaarden verbonden.

In paragraaf 3.4. van hoofdstuk 2 van de Nota Planbeoordeling 1998 van de provincie Zuid-Holland is als goedkeuringscriterium opgenomen dat bestaande burgerwoningen in het buitengebied kleiner dan 500 m3 mogen worden vergroot tot 500 m3. Bestaande burgerwoningen groter dan 500 m3 mogen in beginsel niet verder worden uitgebreid. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Dat op grond van de voorgaande bestemmingsplannen “Buitengebied-Oost” en “Buitengebied-West” een vergroting naar 550 m3 mogelijk was, maakt niet dat verweerders hebben moeten afwijken van hun huidige, aangescherpte, beleid. Het feit dat in het Koninklijk Besluit van 28 juli 1986 ten aanzien van het bestemmingsplan “Buitengebied-Oost” is bepaald dat 550 m3 geen onredelijke maat hoeft te zijn, maakt dit niet anders. Voorts zien de door het gemeentebestuur genoemde omstandigheden dat volgens de Nota Planbeoordeling alle burgerwoningen kleiner dan 500 m3 zonder meer mogen worden vergroot tot 500 m3 en er geen grens wordt gesteld aan de inhoud van agrarische woningen niet op de door verweerders geconstateerde strijd van het planvoorschrift met het provinciaal beleid inzake bestaande burgerwoningen in het buitengebied groter dan 500 m3.

2.4.2.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht in zoverre goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

2.4.3. Burgemeester en wethouders en [appellant sub 8] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan artikel 26, tweede lid, van de voorschriften. Burgemeester en wethouders menen dat het niet voor de hand ligt dat het zicht op en de ruimtelijke beleving van de molens in het plangebied onevenredig zullen worden aangetast door toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid voor afwijking van de toegestane hoogte voor bouwwerken binnen windvangzones rond molens. [Appellant sub 8] heeft een veehouderijbedrijf binnen de windvangzone van een molen. Hij voert aan dat hij door de onthouding van goedkeuring onaanvaardbaar in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd, waardoor de continuïteit hiervan in gevaar komt.

2.4.3.1. Verweerders hebben dit artikellid in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat door het ontbreken van een criterium ten behoeve van de cultuurhistorische waarde met betrekking tot zicht en ruimtelijke beleving deze waarde onvoldoende wordt gewaarborgd.

2.4.3.2. In artikel 26, tweede lid, van de voorschriften wordt aan burgemeester en wethouders, voor zover thans van belang, de bevoegdheid gegeven vrijstelling te verlenen van de bepaling inzake het bouwen binnen molenbiotopen, ten behoeve van het bouwen, overeenkomstig het ten aanzien van de andere bestemmingen bepaalde, mits de windvang van de desbetreffende molen daardoor niet onevenredig wordt aangetast.

In paragraaf 1.2. van hoofdstuk 2 van de Nota Planbeoordeling is als goedkeuringscriterium opgenomen dat voor traditionele windmolens uitgangspunt is dat de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende moeten zijn gegarandeerd. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts is het standpunt van verweerders dat deze garantie in evengenoemd artikellid niet wordt geboden, niet onjuist. Dat, naar burgemeester en wethouders stellen, het zicht op en de ruimtelijke beleving nauw samenhangen met de windvang en het hierdoor niet voor de hand ligt dat de eerstgenoemde twee aspecten worden aangetast, wanneer het laatstgenoemde aspect niet onevenredig wordt beperkt, kan hier, wat hier verder ook van zij, niet aan afdoen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

Voor zover [appellant sub 8] meent dat onduidelijk is wat verweerders willen, nu zij enerzijds aangeven niet tegen de vrijstellingsregeling te zijn, maar anderzijds hieraan wel goedkeuring onthouden, merkt de Afdeling het volgende op. Uit de motivering in het bestreden besluit blijkt dat verweerders niet het standpunt hebben ingenomen dat zij in het geheel geen vrijstellingsregeling voor afwijking van de toegestane hoogte voor bouwwerken binnen windvangzones rond molens willen toestaan. Zij hebben echter wel goedkeuring onthouden, omdat de vastgestelde regeling onvoldoende waarborgen biedt. Op grond van artikel 30 van de WRO bestaat derhalve voor de gemeenteraad de plicht om de vrijstellingsregeling zo aan te passen, dat het besluit van verweerders in acht wordt genomen.

2.4.3.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht op dit punt goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep van burgemeester en wethouders is in zoverre en het beroep van [appellant sub 8] is geheel ongegrond.

2.4.4. Burgemeester en wethouders en [appellant sub 9] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan artikel 8, vierde lid, onder e, wat betreft het zinsdeel “welke oppervlakte … mag worden vergroot” en artikel 8, achtste lid, van de voorschriften. Zij voeren hiertoe aan dat deze voorschriften slechts voor één bedrijf, namelijk het bedrijf van [appellant sub 9], zijn opgenomen en dit bedrijf om bedrijfseconomische redenen enige uitbreidingsmogelijkheden nodig heeft.

2.4.4.1. Verweerders hebben de betreffende gedeelten van dit artikel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben hiertoe in aanmerking genomen dat deze gedeelten niet overeenstemmen met het provinciaal beleid inzake de toegestane hoeveelheid kassen voor boomteeltbedrijven, zoals neergelegd in de Nota Planbeoordeling.

2.4.4.2. In artikel 8, vierde lid, wordt bepaald, voor zover thans van belang, dat sierteeltbedrijven met een bestaande oppervlakte aan kassen van meer dan 300 m2, en de aanduiding “extra kassen toegestaan” op de plankaart, de oppervlakte aan kassen mogen vergroten met ten hoogste 300 m2. Het achtste lid van dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid aan evengenoemde bedrijven vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het vierde lid, ten behoeve van het bouwen van extra kassen met een oppervlakte van ten hoogste 300 m2.

Vast staat dat enkel het bedrijf van [appellant sub 9] op de plankaart de aanduiding “extra kassen toegestaan” heeft gekregen. Dit bedrijf heeft een bestaande oppervlakte van bijna 3.000 m2 kassen. Vast staat voorts dat de vastgestelde regeling in strijd is met het provinciaal beleid uit de Nota Planbeoordeling. Volgens paragraaf 3.3. van hoofdstuk 2 van deze Nota geldt voor bestaande volwaardige boomteeltbedrijven buiten het boomteeltconcentratiegebied waar reeds meer dan 300 m2 kassen aanwezig zijn de bestaande omvang als het toelaatbare maximum. Dit is een goedkeuringscriterium. Het standpunt van appellanten komt er dan ook op neer dat verweerders in dit geval een uitzondering hadden moeten maken op het provinciaal beleid.

Naar het oordeel van de Afdeling is het provinciaal beleid ten aanzien van de toelaatbare hoeveelheid kassen bij bestaande volwaardige boomteeltbedrijven buiten het boomteeltconcentratiegebied in het algemeen niet onredelijk. In dit geval doet zich echter een aantal bijzondere omstandigheden voor. Het perceel van [appellant sub 9] ligt direct buiten het concentratiegebied. Op het perceel mag wel een loods worden gebouwd. Voorts hebben appellanten aangegeven dat de gewenste kassen temidden van bestaande kassen geplaatst kunnen worden, zodat geen aantasting van de openheid zal plaatsvinden. Verweerders zijn in hun besluit op deze punten in het geheel niet ingegaan en hebben daarmee niet aangegeven waarom in dit concrete geval niet van het provinciaal beleid afgeweken zou kunnen worden.

2.4.4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van burgemeester en wethouders is in zoverre en het beroep van [appellant sub 9] is geheel gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.5. Beroep van [appellant sub 7]

2.5.1. [Appellant sub 7] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het bouwvlak voor zijn sierteeltbedrijf met woning aan het [locatie] te [plaats]. Hij voert hiertoe aan dat verweerders geen goedkeuring kunnen onthouden wanneer zij menen dat de gemeenteraad onvoldoende onderzoek heeft gedaan, omdat op verweerders een eigen onderzoeksplicht rust op grond van artikel 3:2 van de Awb. Voorts meent appellant dat voor zijn bedrijfsvoering een woning noodzakelijk is. Voor hemzelf is geen sprake van een onaanvaardbaar woonklimaat, nu hij nog nimmer overlast heeft ervaren van het naastgelegen dierenhotel.

2.5.1.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan een bouwvlak voor een sierteeltbedrijf inclusief woning opgenomen, omdat uit het advies van een agrarisch deskundige bleek dat sprake is van een volwaardig bedrijf en het voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is over een bedrijfswoning te beschikken.

2.5.1.2. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de gemeenteraad onvoldoende heeft onderzocht of een bouwvlak met woning op deze locatie aanvaardbaar is. De gemeenteraad heeft niet gemotiveerd waarom geluidgevoelige bebouwing mogelijk wordt gemaakt op een afstand van ongeveer 30 meter van het naastgelegen dierenhotel, in afwijking van de ingevolge de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” aanbevolen afstand van 100 meter. Gelet hierop hebben verweerders goedkeuring aan het bouwvlak onthouden.

2.5.1.3. Niet in geschil is dat het bouwvlak is voorzien op een afstand van ongeveer 25 à 30 meter van het dierenhotel. Voorts wordt in de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” als aan te houden afstand tussen een dierenpension en een rustige woonwijk een afstand van 100 meter aanbevolen. Afwijking van deze indicatieve maat is mogelijk, mits goed gemotiveerd. In het onderhavige geval zou tenminste een afstandseis gelden als ten opzichte van een rustige woonwijk. Nu uit het besluit van de gemeenteraad, noch uit de voorschriften van of toelichting bij het plan blijkt of de afwijking van de indicatieve maat aanvaardbaar is, hebben verweerders in redelijkheid kunnen oordelen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat op verweerders een zelfstandige onderzoeksplicht rust op grond van artikel 3:2 van de Awb, maakt dit niet anders. Nu voorts de gemeenteraad heeft nagelaten de aanvaardbaarheid van het bouwvlak in verband met de afstand tot het dierenhotel in zijn besluitvorming te betrekken, is de noodzaak van de bedrijfswoning op zichzelf onvoldoende ter rechtvaardiging van het bouwvlak. Dat appellant zelf geen overlast ervaart van het dierenhotel is op zichzelf evenmin voldoende, omdat hiermee niet is aangegeven dat het bouwvlak ook objectief bezien aanvaardbaar is.

2.5.2. Appellant voert in beroep tevens aan dat hij, voor het geval verweerders in redelijkheid goedkeuring hebben kunnen onthouden, het perceel wil gebruiken voor een kas met werkruimte.

2.5.2.1. Ten aanzien van dit beroepsonderdeel merkt de Afdeling op dat uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat verweerders kunnen instemmen met het toekennen van een bouwperceel voor bedrijfsbebouwing. Zij hebben echter goedkeuring onthouden, omdat het bouwvlak tevens de mogelijkheid biedt tot het bouwen van een woning. Op grond van artikel 30 van de WRO rust op de gemeenteraad de plicht het plan in zoverre aan te passen en hierbij het besluit van verweerders in acht te nemen.

2.5.3. Gezien al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht op dit punt goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

2.6. Beroep van [appellant sub 1]

2.6.1. [Appellant sub 1] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover hierin niet is voorzien in een bouwmogelijkheid voor een stal en een mestplaat op zijn gronden aan de [locatie] te [plaats]. Hij voert hiertoe aan dat hij deze nodig heeft voor de verplaatsing van zijn bedrijfsactiviteiten aan het Noordeinde naar zijn percelen aan de Hogedijk en dat door de bouw van een stal ter plaatse geen onaanvaardbare aantasting van de landschappelijke openheid zal plaatsvinden.

2.6.2. De gemeenteraad heeft aan de gronden de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid” en de nadere aanduiding “karakteristiek verkavelingspatroon” gegeven. Hij heeft niet willen meewerken aan een nieuwe bouwmogelijkheid, omdat het beleid van de gemeente en de provincie erop is gericht ongewenste dichtslibbing van het buitengebied te voorkomen ter behoud van de landschappelijke openheid.

2.6.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit gedeelte goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat het provinciaal beleid is gericht op handhaving van de openheid van het landschap, terwijl voorts geen sprake zou zijn van een volwaardig bedrijf.

2.6.4. Blijkens de paragrafen 3.1. tot en met 3.3. van hoofdstuk 2 van de Nota Planbeoordeling is het provinciaal beleid voor het buitengebied erop gericht de hoofdfuncties van het gebied te handhaven en waar mogelijk te versterken. Open ruimten tussen kernen dienen hun geldende functie te behouden. Nieuwe bouwpercelen voor agrarische bebouwing kunnen uitsluitend worden opgenomen via een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 van de WRO, waarbij onder meer de volwaardigheid van het agrarisch bedrijf en de noodzaak en doelmatigheid van het bouwperceel en de gewenste bebouwing beoordeeld dienen te worden. Dit beleid is in het algemeen niet onredelijk. Het beroep van appellant geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat het bedrijf van appellant geen volwaardig bedrijf is. Dat verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten uit bedrijfseconomisch en milieuhygiënisch oogpunt wenselijk is, maakt niet dat verweerders een uitzondering hadden moeten maken op hun beleid.

2.6.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.7. Beroep van [appellanten sub 2]

2.7.1. [Appellanten sub 2] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor hun loon- en verhuurbedrijf op gronden aan het [locatie] te [plaats]. Zij voeren hiertoe aan dat in het geheel geen aanpassingen meer mogelijk zijn waardoor het bedrijf onevenredig in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt.

2.7.2. De gemeenteraad heeft aan de gronden van appellanten grotendeels de bestemming “Bedrijven” met de nadere bestemming “agrarisch loonwerk- en verhuurbedrijf” gegeven en aan een klein deel de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid”. Hij acht uitbreiding van het bedrijf niet gewenst en heeft daarom geen medewerking willen verlenen aan een vergroting van het te bebouwen oppervlak.

2.7.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit gedeelte goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de ligging van het bedrijf in het landelijk gebied en in het bijzonder in de lintbebouwing, de totale perceelsgrootte en de noodzaak voor parkeer- en manouvreerruimte op eigen terrein beperkingen opleggen aan de omvang van het bedrijf.

2.7.4. Het bedrijf van appellanten is een agrarisch aanverwant bedrijf. In artikel 16, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het plan is de toegestane maximale oppervlakte aan gebouwen voor dit bedrijf gelijkgesteld aan de huidige (februari 1999) oppervlakte aan gebouwen, 1.565 m2. Dit betekent dat het bedrijf bij recht in het geheel geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. Naar ter zitting is gebleken bedraagt de totale perceelsgrootte ongeveer 6.500 m2.

Blijkens het streekplan “Zuid-Holland Oost” ligt het perceel van appellanten in een “Bebouwingsstrook met grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde”. Gelet op paragraaf 1.2. van hoofdstuk 2 van de Nota Planbeoordeling sluit het provinciaal beleid nieuwbouw en uitbreiding van agrarisch aanverwante bedrijven in een cultuurhistorisch waardevolle strook niet uit, maar worden hier voorwaarden aan gesteld. Dit beleid is in het algemeen niet onredelijk.

Voorts blijkt uit paragraaf 3.4. van hoofdstuk 2 van de Nota Planbeoordeling dat volgens het provinciaal beleid bij bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, indien verplaatsing naar een geschiktere locatie niet mogelijk is gebleken, een éénmalige uitbreiding toelaatbaar is tot maximaal 15% van de bestaande bebouwingsoppervlakte bij recht en 30% bij uitzondering en via vrijstelling. Ook dit beleid is in het algemeen niet onredelijk.

Door de vastgestelde planregeling, die geen uitbreiding bij recht toelaat, goed te keuren, zijn verweerders afgeweken van hun beleid. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt echter dat de ruimtelijke inpasbaarheid van een geringe uitbreiding binnen het bouwvlak niet onmogelijk is. In verband hiermee hebben verweerders, naar het oordeel van de Afdeling, onvoldoende aangegeven welke specifieke omstandigheden in dit geval het maken van een uitzondering op het beleid rechtvaardigen. Dat reeds eerder is meegewerkt aan een uitbreiding van het bedrijf is hiervoor in dit geval niet voldoende, nu het betreft een bouwaanvraag uit 1984 en door verweerders nimmer is aangegeven dat aan wensen tot verdere uitbreiding geen medewerking zal worden verleend. Voorts staat de ligging in een bebouwingslint, gelet op het hiervoor weergegeven beleid, niet in de weg aan een uitbreiding van bestaande bebouwing. Wat betreft de noodzaak voor parkeer- en manouvreerruimte op eigen terrein acht de Afdeling de stelling van appellanten dat het ondernemersbelang reeds vereist dat er qua logistiek en arbeidstechnisch een goede inrichting van het erf is, niet onjuist. Wat betreft het ter zitting door verweerders aangevoerde argument dat de weg langs het bedrijf niet geschikt is voor zwaar verkeer, overweegt de Afdeling dat, afgezien van het feit dat het aanvoeren van dit argument door verweerders in dit stadium van de procedure zich niet verdraagt met een goede procesorde, verweerders ter zitting niet in staat waren dit argument van een deugdelijke adstructie te voorzien en evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat de weg thans problemen veroorzaakt.

Overigens merkt de Afdeling op dat verweerders op de bezwaren van appellanten aangaande de beperkte oppervlakte en inhoud van hun woning in het geheel niet zijn ingegaan. Nu de onmogelijkheid tot uitbreiding van de oppervlakte voortvloeit uit hetzelfde voorschrift dat uitbreiding van de bedrijfsgebouwen uitsluit, hadden verweerders in dit geval op dit argument van appellanten behoren in te gaan.

2.7.5. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.8. Beroep van [appellante sub 3]

2.8.1. [Appellante sub 3] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in een groter bouwvlak voor haar bedrijfsbebouwing en een bouwvlak voor een bedrijfswoning op gronden aan de Kortsteekterweg te Alphen aan den Rijn. Zij brengt naar voren dat zij de bebouwing nodig heeft voor een verplaatsing van haar bedrijfsactiviteiten uit Nieuwkoop naar de locatie in Alphen aan den Rijn.

2.8.1.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden de bestemming “Bedrijven” met de nadere bestemming “handel in en bewerking van bijproducten van de voedings- en genotmiddelenindustrie” gegeven. Hij heeft niet willen meewerken aan verdere uitbreiding dan de voorschriften thans toestaan, omdat dit het doorzicht naar de Oude Rijn onevenredig zou aantasten en de noodzaak van verdere uitbreiding niet is aangetoond. Ook de noodzaak van een bedrijfswoning acht hij niet aangetoond.

2.8.1.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit gedeelte goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat, gezien de ligging van het bedrijf in het buitengebied, een consoliderende bestemming met een beperkte uitbreidingsmogelijkheid redelijk is, maar een grootschalige uitbreiding te ver gaat. Ten aanzien van de woning sluiten zij aan bij het standpunt van de gemeenteraad.

2.8.1.3. Appellante exploiteert een bedrijf dat zich toelegt op de handel in uit de levensmiddelenindustrie vrijkomende bijproducten voor de veehouderij. In artikel 16, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het plan is de toegestane maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bepaald op 700 m2, terwijl de huidige oppervlakte 600 m2 bedraagt. Het bedrijf heeft derhalve de mogelijkheid tot enige uitbreiding.

Blijkens paragraaf 3.4 van hoofdstuk 2 van de Nota Planbeoordeling is het provinciaal beleid erop gericht niet-agrarische nieuwbouw uit het buitengebied te weren. Bij bestaande niet-agrarische bedrijven is een eenmalige uitbreiding in beperkte mate toelaatbaar. Dit beleid is in het algemeen niet onredelijk. Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat voor de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten een totale oppervlakte van 1.850 m2 aan gebouwen nodig zou zijn, terwijl de gronden grotendeels buiten de bebouwingscontour van Alphen aan den Rijn liggen, en grenzen aan een gebied waarvan de openheid een belangrijke waarde is.

Uit de stukken blijkt voorts dat appellante bij haar bedrijfsvestiging in Nieuwkoop over een bedrijfswoning beschikt. In verband met haar plannen met betrekking tot de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten naar Alphen aan den Rijn wenst zij thans een bedrijfswoning op haar gronden in Alphen aan den Rijn. Zoals hiervoor reeds overwogen, hebben verweerders op goede gronden goedkeuring verleend aan slechts een beperkte uitbreiding van het bedrijf. De volledige verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten is derhalve niet mogelijk. Gelet hierop is het standpunt van verweerders dat de activiteiten ter plaatse nagenoeg ongewijzigd blijven en in verband hiermee de noodzaak van een bedrijfswoning niet is aangetoond, niet onjuist.

2.8.2. Appellante voert voorts aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid op haar bedrijfsgronden silo’s te plaatsen met een hoogte van 20 meter. Zij merkt hierbij op dat haar bedrijf behoefte heeft aan dergelijke silo’s en de Kroon deze hoogte, die reeds in het vorige plan was opgenomen, in het Koninklijk Besluit van 28 juli 1986 niet onaanvaardbaar achtte.

2.8.2.1. De gemeenteraad heeft in artikel 16, vierde lid, onder e, van de voorschriften bepaald dat op gronden met de bestemming “Bedrijven” de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 10 meter mag bedragen. Hij heeft hierbij gelet op de openheid van het landschap en op het feit dat de hoogte van enkele nieuwe gebouwen aan de overzijde van de Oude Rijn lager zal zijn dan de huidige bebouwing.

2.8.2.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit gedeelte goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de inzichten ten aanzien van de openheid van het landschap sinds het Koninklijk Besluit zijn veranderd.

2.8.2.3. Het provinciaal beleid gericht op de bescherming van de openheid van het landschap is in het algemeen niet onredelijk. Het beroep van appellante geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat de bouw van silo’s in artikel 16 van de voorschriften niet geheel wordt uitgesloten, zodat niet aannemelijk is dat appellante onaanvaardbaar in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd.

Voor zover appellante een beroep doet op de toegestane hoogte in het vorige plan, merkt de Afdeling op dat appellante hieraan geen rechten kan ontlenen. Op grond van gewijzigde inzichten kan de gemeenteraad zijn beleid wijzigen. Dit geldt ook voor verweerders.

2.8.3. Gezien al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van de besloten vennootschap [appellante sub 3] is ongegrond.

2.9. Beroep van [appellanten sub 5]

2.9.1. [Appellant sub 4] is eigenaar van een aantal percelen grond tussen de Dorpsstraat en de Nieuwkoopseweg te Aarlanderveen. Deze gronden worden verpacht aan [appellant sub 4]. Appellanten voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voor zover hierin niet is voorzien in een bouwmogelijkheid voor agrarische bebouwing op hun gronden aan de kant van de Nieuwkoopseweg.

2.9.2. De gemeenteraad heeft aan de gronden de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid” en de nadere aanduiding “karakteristiek verkavelingspatroon” gegeven. Hij heeft niet willen meewerken aan een nieuwe bouwmogelijkheid, omdat het beleid van de gemeente en de provincie erop is gericht ongewenste dichtslibbing van het buitengebied te voorkomen ter behoud van de landschappelijke openheid.

2.9.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit gedeelte goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat het provinciaal beleid is gericht op handhaving van de openheid van het landschap, terwijl voorts geen sprake zou zijn van een volwaardig bedrijf.

2.9.4. Zoals in de overwegingen 2.6.4. en 2.8.2.3. reeds is overwogen, is het provinciaal beleid inzake de openheid van het landschap in het algemeen niet onredelijk. Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat de door appellanten gewenste nieuwe bebouwing te midden van het open landschap zou komen te liggen. Dat in de buurt van het perceel reeds enkele opstallen zijn gerealiseerd, maakt niet dat verweerders een uitzondering moeten maken op handhaving van hun beleid. Voorts blijkt uit de stukken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake was van een volwaardig bedrijf. Voorzover appellanten hun verzoek om een bouwmogelijkheid door middel van een bouwvlak in beroep hebben gewijzigd in een verzoek om een bouwmogelijkheid door middel van een wijzigingsbevoegdheid, hebben verweerders ter zitting aangegeven dat zij een bouwmogelijkheid op de door appellanten gewenste locatie ruimtelijk niet aanvaardbaar achten. In verband hiermee achten zij ook het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid niet zinvol, omdat toepassing hiervan uitgesloten is. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk.

2.9.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 4] is ongegrond.

2.10. Beroep van [appellanten sub 6]

2.10.1. [Appellanten sub 6] en anderen bezitten een perceel grasland aan het Noordeinde in Aarlanderveen. Zij voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover dit niet voorziet in een bouwmogelijkheid op dit perceel. Appellanten zijn van mening dat een woning zou bijdragen aan het herstel en de versterking van het historische beeld en karakter van de lintbebouwing ter plaatse.

2.10.2. De gemeenteraad heeft aan het perceel de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke openheid” gegeven.

2.10.3. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de bouw van een woning in strijd zou komen met hun restrictieve beleid inzake bebouwing in het buitengebied.

2.10.4. Het perceel van appellanten ligt in het buitengebied. Het beleid om geen nieuwe woningen toe te staan in het buitengebied is in het algemeen niet onredelijk. Het beroep van appellanten geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat de ligging van het perceel binnen een bebouwingslint niet afdoet aan de ligging in het buitengebied. Voorts hebben verweerders in de door appellanten aangevoerde omstandigheden dat het perceel net buiten de bebouwde kom is gelegen en op dit specifieke perceel een goede landschappelijke inpassing ten aanzien van de nabijgelegen kassen is te bereiken, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van hun beleid.

2.10.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 6] is ongegrond.

2.11. Proceskostenveroordeling

2.11.1. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 2] en [appellant sub 9] te worden veroordeeld. Ten aanzien van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 9] geheel en het beroep van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 12 december 2000, kenmerk DRGG/ARB/00/4866A,

A. voorzover bij dit besluit goedkeuring is verleend aan:

- artikel 16, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het plan, voorzover in dit artikel de maximale oppervlakte aan gebouwen op het plandeel met de bestemming “Bedrijven” met de nadere bestemming “agrarisch loonwerk- en verhuurbedrijf” (Zuideinde 67a) wordt gesteld op “1.565 m2” ;

B. voorzover bij dit besluit goedkeuring is onthouden aan:

- artikel 8, vierde lid, onder e, van de voorschriften van het plan, wat betreft het zinsdeel “welke oppervlakte … mag worden vergroot”;

- artikel 8, achtste lid, van de voorschriften van het plan;

III. verklaart het beroep van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] geheel ongegrond;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland

in de door een aantal appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot de volgende bedragen: - € 322,00 aan [appellanten sub 2], welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- € 347,90 aan [appellant sub 9] , welk bedrag voor een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt: [appellanten sub 2] (€ 102,10), burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (€ 204,20) en [appellant sub 9] (€ 102,10).

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

196-350.