Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8013

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200105901/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105901/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 oktober 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 1999 is namens appellant (hierna: de minister) legalisatie geweigerd van een door [verzoeker] aan de Nederlandse ambassade in [plaats] te [land] aangeboden (vervangend) geboortebewijs en een huwelijksakte.

Bij besluit van 9 augustus 2000 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 oktober 2001, verzonden op 19 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij laatstvermelde brief heeft de minister op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade in Lagos verrichte verificatie-onderzoek, toe te staan dat appellant daarvan geen althans gedeeltelijk geen kennis kan nemen. Op 14 maart 2002 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is. Bij brief van 20 maart 2002 heeft [verzoeker] toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, verleend.

Bij brief van 8 februari 2002 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2002, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D.B. Geelen, ambtenaar in dienst van het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Legalisatie van het geboortebewijs is geweigerd, omdat met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit [land] volgens het ter zake gevoerde beleid wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten en die twijfel niet door middel van objectieve bronnen is weggenomen. Legalisatie van de huwelijksakte is geweigerd, omdat documenten betreffende de burgerlijke staat van personen niet worden gelegaliseerd, wanneer de persoonsgegevens van de desbetreffende personen niet zijn vastgesteld aan de hand van een na verificatie gelegaliseerd geboortebewijs.

2.2. De rechtbank heeft – zakelijk weergegeven – overwogen dat de minister op goede gronden en met in achtneming van het door hem gevoerde beleid het standpunt heeft ingenomen dat [verzoeker] er niet in is geslaagd om de in beginsel aanwezige twijfel aan de juistheid van de ter legalisatie aangeboden documenten weg te nemen, gelet op de in door hem genoemde bronnen (kerkregister en schoolregister) aangebrachte correcties. De minister had echter, aldus de rechtbank, naar aanleiding van de door [verzoeker] in de bezwaarfase verstrekte informatie dat hij enige jaren lager onderwijs heeft gevolgd op de [school], waarvan hij ter zitting een rapport van het schooljaar 1978 heeft overgelegd, nader onderzoek behoren te doen naar het geboortejaar in het schoolregister van die school, nu de andere door [verzoeker] verstrekte bronnen geen of onvoldoende zekerheid bieden omtrent zijn geboortejaar en geboorteplaats, terwijl de ouders daaromtrent gelijkluidende verklaringen hebben afgelegd. Om die reden heeft de rechtbank het bij haar bestreden besluit vernietigd.

2.3. De minister betoogt met recht dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de in beginsel aanwezige twijfel omtrent de juistheid van de inhoud van het aangeboden geboortebewijs door het onderzoek naar de door [verzoeker] in zijn aanvraag genoemde bronnen niet is weggenomen. Voorzover [verzoeker] in bezwaar nog heeft aangevoerd dat hij onderwijs heeft gevolgd op de [school], heeft hij zijn aanwezigheid op deze school toen niet met stukken onderbouwd. Dat heeft hij pas ter zitting van de rechtbank gedaan. Dat geen nader onderzoek naar deze school is verricht, kan niet tot het oordeel leiden dat het aan de besluitvorming ten grondslag liggende onderzoek onzorgvuldig is geweest. Nog daargelaten dat het op de weg van [verzoeker] lag reeds bij de aanvraag de in beginsel aanwezige twijfel aan de inhoud van de ter legalisatie aangeboden documenten weg te nemen en voldoende, juiste en relevante gegevens om het verificatie-onderzoek mogelijk te maken te verstrekken, heeft de minister op goede gronden het standpunt ingenomen dat nader onderzoek, als door [verzoeker] bepleit, evenbedoelde twijfel niet zou hebben kunnen wegnemen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens door de minister tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd behoeft geen bespreking. Nu de door [verzoeker] in beroep overigens aangevoerde gronden niet tot het oordeel leiden dat legalisatie niet kan worden geweigerd zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [verzoeker] alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 oktober 2001, 00/1605 WET;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

242-382.