Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200104061/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104061/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 juli 2001 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Veldhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2000 hebben burgemeester en wethouders van Veldhoven (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant medegedeeld dat zijn op 5 november 1999 ingediende bouwplan, inhoudende het plaatsen van de twee keukenblokken vergunningvrij is.

Bij besluit van 27 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 juli 2001, verzonden op 11 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 28 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders een nieuw besluit op bezwaar genomen, inhoudende gegrondverklaring van de bezwaren van [verzoekers] en oplegging van een last onder dwangsom aan appellant. De brieven, waarin van dit besluit mededeling is gedaan, zijn aangehecht.

Bij brief van 30 januari 2002 heeft de rechtbank het door appellant op 4 oktober 2001 ingestelde beroep tegen het besluit van 28 augustus 2001 doorgezonden naar de Afdeling. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van 30 oktober 2001 en 22 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend. Bij brief van 19 oktober 2001 heeft [verzoeker] een reactie ingediend. Bij brieven van 21 december 2001 en 5 maart 2002 heeft [andere verzoeker] een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. S. Brand-Borghaerts, gemachtigde, zijn verschenen. Tevens is [verzoeker] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van burgemeester en wethouders van 6 april 2000 terecht tevens aangemerkt als de afwijzing van het verzoek van [verzoekers] van 28 januari 2000 om handhavend op te treden tegen de twee door appellant zonder bouwvergunning geplaatste keukenblokken.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet is geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande niet-wederrechtelijk gebruik wordt gehandhaafd.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de eerdere brief van 9 maart 1999 van burgemeester en wethouders aan [verzoeker], inhoudende dat het plaatsen van een badkamer/keuken niet in strijd is met de bestemming “Woningen” en dat het aantal daarvan niet in het bestemmingsplan wordt gelimiteerd, niet kan worden aangemerkt als een bestuurlijk rechtsoordeel, zodat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat deze brief geen onherroepelijk besluit is. Hier van uitgaande is appellant van mening dat de interne veranderingen vergunningvrij zijn in de zin van artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat appellant geen belang heeft bij beantwoording van de vraag of de brief van 9 maart 1999 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu deze brief thans niet ter beoordeling staat.

2.3.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het plaatsen van twee keukenblokken in het onderhavige geval niet vergunningvrij is. De Afdeling wijst er daarbij op dat een verandering van niet-ingrijpende aard niet alleen in bouwkundige maar ook in stedenbouwkundige zin dient te worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol. Nu door het plaatsen van twee extra keukenblokken binnen de woning van appellant afzonderlijke wooneenheden worden gemaakt en daarmee het gebruik van de woning wijzigt, kan in stedenbouwkundige zin niet worden gesproken van een verandering van niet-ingrijpende aard.

Nu voor het plaatsen van de keukenblokken een bouwvergunning was vereist en vaststaat dat deze niet is verleend, heeft de rechtbank terecht overwogen dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om met toepassing van bestuursdwang ter zake op te treden en dat burgemeester en wethouders zulks bij de bestreden beslissing op bezwaar van 27 juni 2000 hebben miskend.

2.3.3. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De nieuwe beslissing op bezwaar van 28 augustus 2001, waarbij burgemeester en wethouders de bezwaren van [verzoekers] gegrond hebben verklaard en appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast de twee keukenblokken te verwijderen, moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat het hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, geacht moet worden mede daartegen te zijn gericht.

2.4.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ ’t Look, herziening VII” rust op het perceel van appellant de bestemming “Woningen”.

Ingevolge artikel 3 van de voorschriften behorende bij dit bestemmingsplan, voorzover thans van belang, mogen op de kaart voor woningen aangewezen gronden uitsluitend eengezinshuizen, in de klasse E2.HO worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, onder e, van de voorschriften wordt onder eengezinshuis verstaan: een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning bevat.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f van de voorschriften, wordt, voorzover hier van belang, onder woning verstaan een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

2.4.2. Met burgemeester en wethouders is de Afdeling van oordeel dat het plaatsen van de keukenblokken in strijd is met het bestemmingsplan. De keukenblokken maken dat een gebouw ontstaat dat niet meer slechts één woning – zijnde een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden - bevat. Dat voor de keukenblokken niettemin een bouwvergunning kan worden verleend is niet gebleken.

2.4.3. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Van een bijzonder geval is te dezen niet gebleken. Er is geen concreet zicht op alsnog verlenen van een bouwvergunning voor het onderhavige bouwplan. Voorts kan appellant aan de brieven, van onder meer 9 maart 1999, van burgemeester en wethouders niet het vertrouwen ontlenen dat hij de onderhavige keukenblokken mocht plaatsen, aangezien die brieven niet het onderhavige bouwplan betroffen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen appellant niet in redelijkheid onder aanzegging van bestuursdwang hebben kunnen gelasten de geplaatste keukenblokken te verwijderen.

2.4.4. Het hoger beroep op de Afdeling tegen het besluit van 28 augustus 2001 is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Veldhoven van 28 augustus 2001 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

47-380.