Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200105954/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 60 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
BR 2003/91 met annotatie van J.W. Weerkamp
Module Ruimtelijke ordening 2002/5278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105954/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Breda van 18 oktober 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: burgemeester en wethouders) aan Projectbureau Binnenstad, onder verlening van een drietal vrijstellingen van de gemeentelijke bouwverordening, bouwvergunning verleend voor het veranderen van een schoolgebouw tot kantoorgebouw op de percelen [locaties] te [plaats].

Bij besluit van 21 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 oktober 2001, verzonden op 22 oktober 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de president) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 30 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A.J. Coppelmans, advocaat te Tilburg en [gemachtigde], ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de verbouwing van een voormalig schoolgebouw tot kantoorgebouw voor startende internet-ondernemers aan de [locatie] te [plaats]. De verbouwing behelst een vergroting van het gebouw aan de westzijde [locatie].

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan strekkende tot wijziging van het uitbreidingsplan De Armhoefse Akkers” rust op het perceel [locatie] geen bestemming. Op grond van dit plan rust op het perceel [locatie] de bestemming “Terreinen bestemd voor herenhuizen en middenstandshuizen in open of gesloten bebouwing”. De voorschriften die bij het plan behoren, bevatten geen bepalingen omtrent het gebruik van de in het plan begrepen percelen. Derhalve geldt artikel 352 van de Bouwverordening van de gemeente Tilburg (hierna: de bouwverordening).

2.3. Appellanten betogen dat de president heeft miskend dat burgemeester en wethouders de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte hebben gesplitst in een aanvraag voor de verbouwing van het pand [locatie] en een aanvraag om vrijstelling voor het pand op [locatie]. Naar het oordeel van appellanten dient de in de bouwaanvraag begrepen verbouwing als een geheel te worden beschouwd, nu het één pand betreft en dit ook gebruikt zal gaan worden als één kantoorgebouw. Nu de verbouwing in strijd is met de voor het perceel [locatie] geldende (woon)bestemming, geldt dit ook voor het bouwplan in zijn totaliteit, zodat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden, aldus appellanten.

2.3.1. Dit betoog faalt. Uit de stukken blijkt dat het voormalige schoolgebouw bestaat uit twee oorspronkelijk gescheiden panden. Deze panden zijn thans over en weer toegankelijk. De panden zijn gesitueerd op twee afzonderlijke kadastrale percelen waarvoor een verschillend planologisch regime geldt. Vast staat dat de (ver)bouwwerkzaamheden zich beperken tot het pand dat is gelegen op het perceel [locatie] en dat het andere pand geen bouwvergunningplichtige wijzigingen ondergaat. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte hebben beperkt tot het pand [locatie] en uitsluitend daarvoor bouwvergunning hebben verleend. De president heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat dit met instemming van de aanvrager moet zijn gebeurd.

2.4. Anders dan appellanten betogen kan in dit geval niet het bestaan van een tweede voorgevelrooilijn worden aangenomen in het verlengde van de in de Pasteurstraat aanwezige bebouwing aan de westzijde van pand [locatie]. Blijkens de stukken en de ter zitting van de Afdeling getoonde foto’s is van een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van voorgevels van de bestaande bebouwing als bedoeld in artikel 2.5.5, aanhef en onder a, van de bouwverordening geen sprake.

2.5. Het betoog van appellanten dat de president heeft miskend dat burgemeester en wethouders het bouwplan naar aanleiding van de daartegen gemaakte bezwaren ten onrechte niet hebben voorgelegd voor een nader advies aan een welstandscommissie in een andere samenstelling, treft evenmin doel. Het beroep op artikel 13 van het Reglement Welstandscommissie 1997, waarin wordt voorzien in het raadplegen van buitengewone leden met betrekking tot een eerder uitgebracht welstandsadvies, gaat niet op. Blijkens het derde lid is de in dit artikel neergelegde werkwijze beperkt tot de situatie waarin de gemeenteraad in geval van beroep als bedoeld in artikel 51 van de Woningwet (oud) moe(s)t oordelen over de welstandsaspecten van een bouwplan. Nu deze beroepsmogelijkheid is vervallen, heeft artikel 13 van het Reglement geen betekenis meer.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

53-412.