Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200200925/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200925/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief" gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2001, kenmerk WM nr. 70-01, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een varkenshouderij en groentesorteerbedrijf op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 2 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

[naam rechtspersoon] heeft zich blijkens de aangehechte verklaring van 16 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellant in dit beroep.

Bij brief van 22 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. P.M. Muselaers en T.A. Korts, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, bijgestaan door mr. M.E.F. Haven en gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Verweerders hebben betoogd dat appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien zij in haar beroepschrift niet de gronden van beroep heeft weergegeven en vervolgens in de motivering van het beroepschrift slechts heeft verwezen naar de bedenkingen die zij heeft ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Verweerders hebben hierbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2001,

no. 200105169/1.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit deze bepalingen volgt dat het indienen van een beroepschrift op nader aan te voeren gronden (een zogenoemd pro forma beroep) niet is uitgesloten. Appellant heeft binnen de daartoe - vanwege de Afdeling – gestelde termijn een aanvullend beroepschrift ingediend. Mitsdien bestaat er geen beletsel hem in zijn beroep te ontvangen. De Afdeling merkt hierbij nog op dat de door verweerders genoemde uitspraak betrekking heeft op het inbrengen van bedenkingen als bedoeld in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure), hetgeen hier niet aan de orde is.

Het feit dat appellante haar beroepschrift heeft gestoeld op de bedenkingen die zij heeft ingebracht tegen het ontwerp van het besluit, kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.2. Appellante heeft aangevoerd dat de kennisgeving van het ontwerp van het besluit slechts is gepubliceerd in een blad, dat verschijnt in de gemeenten Nijmegen en Beuningen. Nu de inrichting tevens is gelegen op de grens van de gemeente Wijchen, had volgens appellante het ontwerp van het besluit ook in een huis-aan-huisblad dat in deze gemeente verschijnt, moeten worden geplaatst.

2.2.1. Ingevolge artikel 3:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk een ontwerp op van het besluit. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp - tenzij toepassing is gegeven aan artikel 3:29 - uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager en de betrokken andere bestuursorganen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, onder b, wordt uiterlijk twee weken na de in het eerste lid bedoelde toezending van het ontwerp gelijktijdig mededeling gedaan door kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt.

2.2.2. Onbetwist is dat het ontwerp van het besluit is gepubliceerd in het huis-aan-huisblad “De Brug”.

Ter zitting is gebleken dat dit huis-aan-huisblad, gelet op het colofon, niet alleen in de gemeente Nijmegen en Beuningen wordt verspreid, doch tevens in de gemeente Wijchen.

Gelet hierop is het voldoende aannemelijk dat het beoogde doel van de kennisgeving zo goed mogelijk is bereikt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders onjuist mededeling hebben gedaan van het ontwerp van het besluit. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.3. Appellante heeft betoogd dat verweerders ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het volgens haar voor verzuring gevoelige gebied op een afstand van 1750 meter van de inrichting.

2.3.1. In artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna te noemen: de Interimwet) is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt aangegeven, welke ecologisch of natuurwetenschappelijk waardevolle gebieden die gevoelig zijn voor verzuring of eutrofiëring, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied. In artikel 1, derde lid, van de Interimwet is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt aangegeven, op welke wijze bij de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de ammoniakdepositie en de ammoniakemissie worden bepaald.

Hieraan is uitvoering gegeven in de Uitvoeringsregeling Interimwet ammoniak en veehouderij van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna te noemen: de Uitvoeringsregeling).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling worden voor de toepassing van de Interimwet en de daarop rustende bepalingen als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen, die zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond en:

a. een oppervlakte hebben van ten minste 5 ha, dan wel

b. door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bijbehorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Interimwet moet een vergunning voor een veehouderij worden geweigerd, voorzover de ammoniakdepositie die de veehouderij kan veroorzaken op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, meer bedraagt dan de ingevolge de artikelen 4 tot en met 8 voor de betrokken veehouderij geldende waarde.

2.3.2. Blijkens het bestreden besluit staan verweerders op het standpunt dat het dichtstbijzijnde voor verzuring gevoelige gebied, het Wijchense Natuurreservoir, is gelegen op een afstand van meer dan 3000 meter van de inrichting, zodat de Interimwet volgens hen niet aan vergunningverlening in de weg staat. Ter zitting hebben zij ter ondersteuning van dit standpunt verwezen naar een kaart opgesteld door de gemeente Wijchen, waarop het door appellante bedoelde gebied niet staat aangegeven als voor verzuring gevoelig gebied.

2.3.3. De Afdeling overweegt dat het al dan niet voorkomen van een gebied op een dergelijke kaart, geen criterium is zoals dat is opgenomen in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling. Verweerders hebben verder niet zelfstandig onderzocht of het door appellante bedoelde gebied aangemerkt moet worden als voor verzuring gevoelig bosgebied dat groter is dan 5 hectare en dat op grond van de Interimwet van rechtswege bescherming geniet.

Onder deze omstandigheden moet geconcludeerd worden dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat verweerders bij het nemen van het bestreden besluit hebben gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 11 december 2001, kenmerk 70-01;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Nijmegen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Nijmegen te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Nijmegen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

154-324.