Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200201525/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201525/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 18 december 2000 in het geding tussen:

appellant

en

het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen.

1. Procesverloop

Op 26 augustus 1999 heeft [naam rechtspersoon] appellant mondeling medegedeeld dat hij wegens een onvoldoende beoordeling van het co-assistentschap chirurgie niet wordt toegelaten tot het tentamen chirurgie dat op 30 augustus 1999 zou worden afgenomen. Bij brief van 13 september 1999 heeft hij dit appellant schriftelijk bevestigd.

Bij besluit van 9 maart 2000 heeft College van beroep het door appellant hiertegen en tegen de onderliggende evaluaties ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2002, waar het College van beroep, vertegenwoordigd door gemachtigde, is verschenen. Appellant is zonder kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Voor het studiejaar 1998-1999 heeft de Examencommissie van de Faculteit der Geneeskunde van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: de examencommissie) vastgesteld de Regels en Richtlijnen van de examencommissie 1998/1999 (hierna: de RenR).

Ingevolge artikel RR44, tweede lid, van de RenR omvatten de examenonderdelen Heelkunde, Huisartsengeneeskunde, Inwendige Geneeskunde, Kindergeneeskunde, Neurologie, Obstetrie/Gynaecologie en Psychiatrie in elk geval:

1. het onderzoek door de examinandus van tenminste één en ten hoogste twee patiënten, en voorts

2. de schriftelijke weergave door de examinandus van de bevindingen van dit onderzoek, of deze onderzoeken, en voorts

3. de bespreking van dit onderzoek of deze onderzoeken en de schriftelijke weergave daarvan met de examinator.

4. Daarnaast kan het tentamen een onderzoek bevatten naar kennis, inzicht en vaardigheden die, gerelateerd aan de casuïstiek in het co-assistentschap, redelijkerwijs bekend verondersteld kunnen worden.

Ingevolge artikel RR45 van de RenR wordt van de deelname aan de co-assistentschappen door de begeleider een stage-beoordeling opgemaakt. Deze stage-beoordeling wordt tussentijds en aan het einde van het co-assistentschap met de examinandus besproken. De eindbeoordeling (kwalificatie: onvoldoende, voldoende, goed of uitstekend) wordt mede door de student ondertekend. Ingeval van een onvoldoende eindbeoordeling kan door de examinator of de examencommissie worden vastgesteld dat een gehele of gedeeltelijke herhaling van het co-assistentschap noodzakelijk is alvorens het desbetreffende examenonderdeel kan worden afgelegd.

2.2. Op grond van de brief van [naam rechtspersoon] aan appellant van 13 september 1999 staat vast, dat ten aanzien van de stage chirurgie door de stagebegeleider in het Nij Smellinghe ziekenhuis te Drachten, [naam stagebegeleider], op 26 augustus 1999 - en overigens ook op 13 september 1999 - nog geen (eind)beoordeling was opgemaakt. Dat wordt ook door appellant niet bestreden. Een met het oog op die eindbeoordeling voor 23 augustus 1999 door [naam stagebegeleider] met appellant gemaakte afspraak heeft geen doorgang gevonden omdat appellant het einde van het spreekuur van [naam stagebegeleider] niet kon/wilde afwachten. Van door appellant nadien ondernomen pogingen om tijdig voor de beoogde datum van het tentamen op 30 augustus 1999 alsnog een (eind)beoordeling te verkrijgen, is niet gebleken. De evaluatieformulieren co-assistenten chirurgie die zich bij de stukken bevinden, kunnen niet als beoordeling in de zin van artikel RR45 van de RenR worden aangemerkt.

2.2.1. Nu uit artikel RR44, tweede lid, van de RenR, gelezen in samenhang met artikel RR45 van de RenR volgt dat, alvorens het tentamen kan worden afgelegd, een stage-beoordeling moet zijn opgemaakt en het er voorts gelet op het vorenstaande voor gehouden moet worden dat appellant met betrekking tot het ontbreken van die beoordeling een verwijt kan worden gemaakt, heeft het College van beroep zich - zij het op andere gronden - terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet tot het tentamen kon worden toegelaten.

2.3. Gelet op het bepaalde in artikel 7.12, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) en artikel RR45 van de RenR, in onderling verband bezien, is de beslissing of de examinandus bij een onvoldoende stagebeoordeling tot het tentamen kan worden toegelaten, voorbehouden aan de examinator. Hieruit volgt, dat deze tevens bevoegd moet worden geacht een examinandus niet tot het tentamen toe te laten indien, zoals in het onderhavige geval, in het geheel geen stagebeoordeling voorhanden is.

2.3.1. Niet in geschil is dat [naam rechtspersoon] door de examencommissie is aangewezen als examinator, als bedoeld in artikel 7.12, derde lid, van de WHW en door de centrale examinator is belast met het afnemen van het afsluitend tentamen van het co-assistentschap chirurgie van appellant. Het betoog dat [naam rechtspersoon] niet bevoegd was appellant niet tot het tentamen toe te laten, faalt derhalve.

2.4. Uit het vorenoverwogene volgt, dat het College van beroep het door appellant ingestelde administratief beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank is - zij het op andere gronden - tot hetzelfde oordeel gekomen. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Loon

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

284.