Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7987

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
200200298/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200298/1.

Datum uitspraak: 25 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 10 december 2001 in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1],

2. [verzoeker sub 2],

3. [verzoeker sub 3]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2000 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) met toepassing van artikel 15, eerste lid, sub a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 10, vierde, vijfde en zevende lid, van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied, herziening I” aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een viertal woningen met twee garages aan de [locatie] (hierna: het perceel).

Bij (afzonderlijke) besluiten van 22 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders de daartegen door [appellanten sub 1,2 en 3] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Deze besluiten en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 1 augustus 2000, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) de daartegen door [appellanten sub 1,2 en 3] ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden besluiten op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 16 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 14 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 25 maart 2002 en 28 maart 2002 hebben onderscheidenlijk [appellanten sub 1 en 2] een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door S.G.A. de Boer, advocaat, zijn verschenen. Voorts zijn [appellant sub 1] in persoon, bijgestaan door mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht, [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, gemachtigde, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en [partij] in persoon, bijgestaan door mr. J.L.M. Stok, advocaat te Tilburg, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet mag alleen en moet een bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.2. Bij het verlenen en handhaven van de in geding zijnde bouwvergunning hebben burgemeester en wethouders het bouwplan getoetst aan het bestemmingsplan “Landelijk Gebied, herziening 1”. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat voor het onderhavige perceel dit bestemmingsplan nog steeds van kracht is, nu het bouwplan – ook wat betreft woning nr. 1 - volledig is gesitueerd op gronden binnen het van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1994’ deel uitmakende plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde” tevens met de aanduiding “bedrijven”, waaraan volgens de plankaart behorende bij de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 1998, no. E01.96.0455 (alsnog) goedkeuring is onthouden.

2.3. Bij de genoemde uitspraak van 31 augustus 1998 heeft de Afdeling het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 16 juli 1999 vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1994”. De Afdeling heeft, zelf in de zaak voorziende, de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, behoudens voor zover het treft twee plandelen, zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten.

2.4. Vast staat dat het bouwplan in overeenstemming is met de ingevolge het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herziening I” geldende bestemming “Eengezinshuizen II”, die – volgens burgemeester en wethouders - ten gevolge van de onthouding van goedkeuring (weer) is gaan herleven. Het bouwplan is echter niet in overeenstemming met het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1994”, omdat op gronden met de bestemming “agrarisch gebied met landschappelijke waarden” uitsluitend erfafscheidingen met een hoogte van 2 meter mogen worden gebouwd.

2.5. Anders dan burgemeester en wethouders betogen, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan, voor zover dat betrekking heeft op woning nr. 1, gedeeltelijk is gesitueerd op gronden waarvoor het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1994” geldt. In de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2000, no. 199900630, waarin het verzoek om herziening van de uitspraak van 31 augustus 1998 is afgewezen, heeft de Afdeling overwogen dat het beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten uitsluitend betrekking had op het oorspronkelijke bedrijventerrein gelegen op het perceel [locatie]. Gelet hierop, moet worden geoordeeld dat bij de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 1998 is beoogd de onthouding van goedkeuring te beperken tot het perceel kadastraal aangeduid als nr. 1345. De Afdeling ziet, anders dan appellanten hebben betoogd, geen reden waarom de rechtbank de herzieningsuitspraak niet mede aan haar oordeel ten grondslag heeft mogen leggen.

2.6. Nu het bouwplan, zoals hiervoor onder 2.4 is overwogen, in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1994” geldende bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden”, is het oordeel van de rechtbank, dat de bouwvergunning in strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet is verleend, juist.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Bij (afzonderlijke) besluiten van 18 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders de bezwaren tegen het besluit van 15 februari 2000 wederom ongegrond verklaard. Gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, moet het hoger beroep worden geacht zich mede uit te strekken tot de nieuwe beslissingen op bezwaar van 18 juni 2002.

2.9. Burgemeester en wethouders hebben de beslissingen op bezwaar getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied, Wijkerweg”, welk bestemmingsplan op 21 februari 2002 onherroepelijk is geworden.

Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen – bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 februari 2002, no. 200005090/1 (aangehecht) - geldt als uitgangspunt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Aan een ten tijde van de indiening bij de gemeente van een bouwaanvraag nog wel, maar ten tijde van de beslissing daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging in bezwaar daarvan, niet meer geldend bestemmingsplan mag, bij wijze van uitzondering op dat uitgangspunt, slechts worden getoetst indien ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment geen voorbereidingsbesluit voor een nieuw bestemmingsplan van kracht was geworden dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was. Deze uitzondering doet zich hier niet voor. Burgemeester en wethouders hebben de besluiten op bezwaar derhalve terecht getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied, Wijkerweg”.

2.10. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied, Wijkerweg” heeft de grond waarop het bouwplan is geprojecteerd de bestemming “Wonen”. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Wonen” aangewezen gronden bestemd voor: het wonen (…) met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en andere werken, zoals tuinen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, sub b, mag een woning uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de bestaande woningen met dien verstande dat de inhoud van een woning maximaal 600 m3 mag bedragen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en zevende lid, van de planvoorschriften wordt onder een bestaande woning, bebouwing en/of afmeting verstaan: de woning, dienstwoning of andere bebouwing, alsmede de goothoogte, oppervlakte of andere maat, zoals die bestaat of rechtens mag bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan, met dien verstande dat het daarbij in het plangebied gaat om de 16 aanwezige woningen en de vier vergunde woningen op de locaties zoals afgebeeld op afbeelding 1 in deze voorschriften.

2.11. Onbetwist is dat de vier woningen, waar het bouwplan betrekking op heeft, een grotere inhoudsmaat hebben dan de in artikel 3, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften genoemde inhoud van 600 m3. Er zou dus sprake zijn van strijd met deze bepaling indien deze op de woningen van toepassing is. Dat kan echter niet worden aangenomen. Uit artikel 1, aanhef en zevende lid, van de planvoorschriften blijkt immers dat de bij besluit van 15 februari 2000 vergunde woningen moeten worden aangemerkt als bestaande woningen. Dit blijkt overigens ook uit de bij dit bestemmingsplan behorende toelichting, waarin is aangegeven dat onder de bestaande situatie wordt verstaan de feitelijk aanwezige woningen en de vier woningen waarvoor bij besluit van 15 februari 2000 bouwvergunning is verleend. Burgemeester en wethouders hebben derhalve terecht geoordeeld dat het bouwplan in overeenstemming is met het thans geldende bestemmingsplan “Buitengebied Wijkerweg”. In het betoog van [appellanten sub 1,2 en 3] ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Burgemeester en wethouders konden, gelet op artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, geen andere beslissingen nemen dan de bezwaren van [appellanten sub 1,2 en 3] ongegrond te verklaren en de verleende bouwvergunning te handhaven.

2.12. Het beroep tegen de besluiten op bezwaar van 18 juni 2002 is derhalve ongegrond.

2.13. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede in de door [appellanten sub 1,2 en 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,00, te verdelen in drie maal een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Wijk bij Duurstede aan hen te worden betaald;

III. verklaart het beroep tegen de besluiten op bezwaar van 18 juni 2002 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Bekker, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bekker w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002

53-378.