Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200106012/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106012/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Werkendam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij gelegen aan de [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 25 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 4 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2001, en appellant sub 2 bij brief van 4 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 april 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2002, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, gemachtigde, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door D.M.A.A. Oostvogels, ing. H. van den Bruele en R.E.S.S. Vliex, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 110 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, 55 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en 40 vleesstieren van 6 tot en met 24 maanden.

2.2. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat het “Meetverslag referentiemeting” van 1 juni 2001 ten onrechte niet met het ontwerp-besluit ter inzage is gelegd.

2.2.1. Verweerders zijn van mening dat de conclusie van de referentiemeting en de aspecten die bij de beoordeling hiervan een rol spelen duidelijk in het ontwerp van het besluit zijn weergegeven. Voorts stellen zij dat appellant door toezending van het rapport in de gelegenheid is geweest de referentiemeting te bestuderen.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht worden met het ontwerp van het besluit ter inzage gelegd de rapporten en adviezen die in verband met het ontwerp zijn uitgebracht, voorzover deze redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor een beoordeling van het ontwerp.

Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.2.3. Gebleken is dat verweerders de in het ontwerp van het besluit opgenomen geluidvoorschriften hebben gebaseerd op de hiervoor genoemde referentiemeting van 1 juni 2001. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de gegevens uit deze meting redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het ontwerp en dat het “Meetverslag referentiemeting” had moeten worden aangemerkt als een rapport als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat op grond van dat onderdeel van artikel 3:21 terinzagelegging verplicht was. In het ontwerp van het besluit is echter de conclusie van de referentiemeting weergegeven. Daarnaast hebben verweerders het “Meetverslag referentiemeting” alsnog aan appellant sub 1 doen toekomen voor het einde van de bedenkingentermijn. Verder heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van Jansen Raadgevend Ingenieursbureau van 21 augustus 2001, bedenkingen ingebracht ten aanzien van de uitgangspunten en de uitkomsten van de door verweerders uitgevoerde referentiemeting. Gelet hierop kan niet worden ingezien dat de hiervoor genoemde schending van artikel 3:21, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht enig nadeel oplevert voor appellant sub 1. Voorts is gebleken dat andere potentieel belanghebbenden niet door voornoemde schending zijn benadeeld. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

2.3. Appellant sub 1 heeft voorts aangevoerd dat verweerders de aanvraag om vergunning buiten behandeling hadden moeten laten, omdat de aanvraag onvoldoende gegevens bevat voor de beoordeling van de van de inrichting te verwachten gevolgen voor het milieu. Hij voert hiertoe aan dat de grens van de inrichting niet op de tekening is vastgelegd en dat de ingang van de voedersilo verkeerd op de tekening is weergegeven. Voorts meent hij dat bij de aanvraag de jaarrekening ter registratie van water- en energieverbruik ontbreekt. Tevens ontbreekt naar de mening van appellant bij de aanvraag ten onrechte een niet-technische samenvatting.

2.3.1. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, in samenhang met artikel 5.18, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer dient de aanvrager in of bij de aanvraag onder meer te vermelden:

[…]

b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting;

[…]

d. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voorzover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken;

[…]

Ingevolge het tweede lid van artikel 5.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer gaat de aanvraag vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

2.3.2. De vergunningaanvraag bestaat uit een aanvraagformulier en bijbehorende tekening. Blijkens deze stukken behoort bij de inrichting een bedrijfsterrein waarop onder andere voedersilo’s en stallen voor het houden van dieren staan en waar aan- en afvoerbewegingen en laad- en losactiviteiten plaatsvinden. In het aanvraagformulier is verder omschreven wat de overige activiteiten binnen de inrichting zullen inhouden.

Ten aanzien van de grens van de inrichting overweegt de Afdeling dat aan de hand van deze tekening in samenhang gezien met de kadastrale gegevens van de inrichting voldoende duidelijk is op welk terrein en welke gebouwen de aanvraag betrekking heeft.

Op de tekening behorende bij de aanvraag is de ingang van de voedersilo aangegeven. Voorzover appellant in het kader van de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder heeft betoogd dat de ingang van de voedersilo foutief op de tekening is weergegeven, is de Afdeling van oordeel dat het stelsel van de Wet milieubeheer met zich brengt dat verweerders moeten beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend.

De Afdeling overweegt verder dat de in de aanvraag opgenomen gegevens over energie- en waterverbruik een voldoende indicatie geven van het te verwachten verbruik.

Wat het ontbreken van een niet-technische samenvatting betreft overweegt de Afdeling dat binnen de onderhavige inrichting geen technische processen plaatsvinden, die afwijken van wat in een veehouderij gebruikelijk is, zodat een niet-technische samenvatting in het onderhavige geval, mede gelet op de in de aanvraag vermelde informatie, geen toevoegende waarde heeft in het kader van de beoordeling van deze aanvraag.

Hetgeen appellant sub 1 heeft aangevoerd leidt, gelet op het vorenstaande, niet tot het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.4. Appellant sub 1 stelt dat in het dictum van het bestreden besluit, nu hierin gesproken wordt over een gedeeltelijke verlening van de vergunning, niet tot uitdrukking komt voor welk deel de vergunning is verleend, hetgeen naar zijn mening in strijd is met het rechtszekerheidbeginsel. Voorts betoogt hij dat, nu tevens niet is aangegeven voor welk deel de vergunning is geweigerd, er sprake is van een impliciete weigering. Verder bevreemdt het appellant dat de twaalf-dagen-regeling niet meer in het dictum van het bestreden besluit is opgenomen.

Voorzover het beroep van appellant sub 1 is gericht tegen het te houden veebestand en de weigering tractorbewegingen in de avondperiode toe te staan, overweegt de Afdeling dat verweerders in het dictum van het bestreden besluit hebben bepaald dat de voorschriften opgenomen in bijlage 1 onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. In voorschrift 2.1 komt tot uitdrukking welke dieren binnen de inrichting gehouden mogen worden. Verder volgt uit de voorschriften 1.28, 2.21 en 2.22 dat in de avond- en nachtperiode geen tractoren in werking mogen zijn en dat het in- en uitkuilen van veevoer niet mag plaatsvinden tussen 19.00 en 07.00 uur. Uit voorschrift 2.18 volgt voorts dat het pneumatisch of mechanisch vullen van silo’s is verboden tussen 19.00 en 07.00 uur. Appellant heeft dit ook niet bestreden. Het is daarom niet in strijd met de Wet milieubeheer dat verweerders dit niet tevens in het dictum van het besluit tot uitdrukking hebben gebracht.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent het achterwege laten van de 12-dagen-regeling uit het dictum van het bestreden besluit is eveneens niet in strijd met de Wet milieubeheer nu in voorschrift 1.29 van het bestreden besluit de twaalf-dagen-regeling is gehandhaafd.

Gelet op het vorenstaande treft deze beroepsgrond geen doel.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellant sub 1 betoogt dat de inrichting (cumulatieve) stankhinder veroorzaakt ten gevolge van het te houden veebestand. Hij voert hiertoe aan dat verweerders zijn woning ten onrechte als categorie III-bebouwing in plaats van categorie II-bebouwing hebben aangemerkt en dat ten opzichte van deze woning niet aan de minimaal aan te houden afstand wordt voldaan.

2.6.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van stankhinder veroorzaakt door het veebestand, wat de aan te houden afstand betreft, de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Wat betreft de categorie-indeling hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

Verweerders menen dat de woningen in de omgeving van de inrichting categorie III-objecten in de zin van de brochure zijn. Verweerders hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat aan de minimaal aan te houden afstand tussen het emissiepunt van de stal waarin de melkkoeien worden gehuisvest en de dichtstbijzijnde woning van derden wordt voldaan. Zij voeren hiertoe aan dat de oost- en zuidgevel van de melkkoeienstal kierdicht worden uitgevoerd en dat de nok van deze stal wordt dicht gemaakt. De gevel aan de westzijde van de melkkoeienstal blijft open ten behoeve van de stalventilatie, aldus verweerders.

2.6.2. De inrichting is gelegen in een landelijke omgeving aan de Baan. In de directe omgeving van de inrichting liggen een aantal agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen. Het aantal woningen is niet zodanig dat deze aan het gebied een bepaalde woonfunctie verlenen. Evenmin is in de omgeving van de inrichting sprake van een bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing. Ook zijn er geen objecten van dagrecreatie in de nabije omgeving aanwezig. Gelet hierop hebben verweerders de burgerwoningen in de omgeving van de inrichting terecht als categorie III-bebouwingen aangemerkt. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.6.3. Bij het bestreden besluit is onder andere vergunning verleend voor melkkoeien. Ingevolge bijlage 2 van de Richtlijn moet in het geval van melkkoeien in een categorie III-omgeving een minimale afstand van 50 meter worden aangehouden tussen de vergunde inrichting en de dichtstbijzijnde woning. Daarbij dient te worden uitgegaan van de afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelige object en het dichtst bij dit gevoelige object gelegen emissiepunt van de veehouderij. Voor natuurlijk geventileerde stallen, waarvan in het onderhavige geval sprake is, moet de dichtstbijzijnde ventilatie-uitlaat worden aangehouden.

De Afdeling stelt aan de hand van de bij de vergunning behorende tekening vast dat zich op ongeveer 36,5 meter van de woning een deur in de zuidelijke gevel van de melkkoeienstal bevindt. Verweerders stellen zich op het standpunt dat deze deur niet als ventilatie-opening kan worden aangemerkt. Zij verwijzen hiertoe naar voorschrift 2.4 van de vergunning. Uit voorschrift 2.4 blijkt evenwel dat deze deur mag en zal worden gebruikt voor de doorvoer van personen en goederen. Er zullen dan ook ventilatieverliezen vanuit de melkkoeienstal door deze deur optreden, zodat deze als ventilatie-uitlaat moet worden aangemerkt. Nu de afstand tussen de desbetreffende deur in de stal en de gevel van de woning ongeveer 36,5 meter bedraagt, wordt aan de minimaal aan te houden afstand niet voldaan.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het beroepsonderdeel treft doel.

2.7. Appellant sub 1 voert aan dat de inrichting tevens onaanvaardbare stankhinder veroorzaakt ten gevolge van de sleufsilo.

2.7.1. Verweerders zijn van mening dat wat betreft de sleufsilo niet voor onaanvaardbare stankhinder behoeft te worden gevreesd. Zij hebben ter voorkoming van stankhinder voorschriften aan de vergunning verbonden waarin aan het gebruik van de sleufsilo nadere eisen worden gesteld.

2.7.2. Niet in geschil is dat de afstand van de sleufsilo in de inrichting tot de dichtstbijgelegen woning blijkens de tekening behorend bij de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, ongeveer 24 meter bedraagt. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat verweerders ter voorkoming van onder meer stankhinder veroorzaakt door de sleufsilo de voorschriften 2.23 tot en met 2.27 aan de vergunning hebben verbonden. Hierin is onder meer bepaald dat de opslag van kuilvoer met een droge stofgehalte lager dan 60% blijvend moet zijn afgedekt met kunststoffolie en dat eventuele restanten van kuilvoer direct op zodanige wijze moeten worden opgeslagen dat er geen geuroverlast kan plaatsvinden. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de hiervoorgenoemde voorschriften toereikend zijn om stankhinder veroorzaakt door de opslag van voer te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.8. Appellant sub 1 stelt geluidoverlast te ondervinden van de onderhavige inrichting. Hij betwijfelt of de geluidnormering toereikend is om geluidhinder te voorkomen. Hij bestrijdt de uitgangspunten en de uitkomsten van zowel het akoestische onderzoek dat is verricht ter bepaling van het referentieniveau als de door verweerders opgestelde overdrachtsberekening naar de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden. Appellant heeft ter ondersteuning van dit standpunt een notitie overgelegd van Jansen Raadgevend Ingenieursbureau van 15 november 2001.

2.8.1. Voor de beoordeling van geluidhinder hebben verweerders hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 (wat betreft de maximale geluidniveaus) en hoofdstuk 4 van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder hebben verweerders onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 1.22 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau grenswaarden gesteld van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.23 zijn grenswaarden voor het piekgeluidniveau gesteld van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.28 is bepaald dat in de avond- en nachtperiode op het in figuur 1 aangegeven gearceerde gebied, dat betrekking heeft op de voerplaten, geen tractoren in werking zijn.

Uit voorschrift 1.29 volgt dat overschrijding van voorschrift 1.22 maximaal 12 keer per kalenderjaar mag plaatsvinden tot een niveau van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.8.2. In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - zoals het geval is in de gemeente Werkendam - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen. Hierin wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen de aanvraag om vergunning te toetsen aan de richtwaarden. Voor bestaande inrichtingen wordt aanbevolen de aanvraag om vergunning opnieuw te toetsen aan de richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen aanvaardbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

Ten aanzien van de grenswaarden van de piekgeluidimmissieniveaus is in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking aanbevolen uit te gaan van de grenswaarden van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A). Daarnaast is de maximale grenswaarde van 70 dB(A) als etmaalwaarde aangegeven.

2.8.3. Blijkens de stukken moet het gebied waar de inrichting is gelegen worden gekwalificeerd als een landelijke omgeving, waarvoor richtwaarden gelden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerders bij het vaststellen van de in voorschrift 1.22 gestelde grenswaarden beoogd hebben aan te sluiten bij het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Daarbij hebben zij zich blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting gebaseerd op een akoestisch onderzoek van 1 juni 2001, uitgevoerd door de Regionale Milieudienst West-Brabant, waaruit blijkt dat het referentieniveau 46 dB(A) bedraagt. Gebleken is dat het omgevingsgeluid met name wordt veroorzaakt door de provinciale weg, de N627. Uit de metingen is vast komen te staan dat de gestelde grenswaarden overeenkomen met het te verwachten referentieniveau. Hierbij overweegt de Afdeling dat niet is vast komen te staan dat voor de vaststelling van het referentieniveau is uitgegaan van een onjuiste meetsituatie. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de norm van 35NR uit de onderliggende vergunning doet aan het voorgaande niet af nu verweerders de geluidgrenswaarden niet hebben gebaseerd op bestaande rechten die aan de onderliggende vergunning kunnen worden ontleend, maar de Handreiking tot uitgangspunt hebben genomen.

De Afdeling overweegt voorts dat de in voorschrift 1.23 opgenomen grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau overeenkomen met de in de Handreiking aanbevolen maximale waarden van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 1.22 en 1.23 neergelegde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.8.4. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de geluidvoorschriften overweegt de Afdeling dat de bij het bestreden besluit gevoegde overdrachtsberekening en het geluidrapport van de Regionale Milieudienst West-Brabant van 27 februari 2002 de resultaten weergeven van het onderzoek naar de geluidbelasting die de inrichting zal veroorzaken ter plaatse van de gevels van woningen van derden. In genoemde overdrachtsberekening en rapport is uitgegaan van de voor de representatieve bedrijfssituatie relevante geluidbronnen, waarbij de tractorbewegingen maatgevend zijn voor de geluidbelasting. Verweerders zijn bij de beoordeling van de van tractorbewegingen afkomstige geluidbelasting uitgegaan van een (rijroute naar de) ingang van de sleufsilo aan de noordzijde van de inrichting. Uit de tekening behorende bij de aanvraag blijkt echter dat de ingang van de voedersilo aan de zuidzijde van de inrichting is gelegen. Het bij de toelichting op de aanvraag gevoegde kaartje met onder andere de tractorbewegingen, waarop verweerders zich beroepen, biedt over de ingang van de sleufsilo geen duidelijkheid. Nu de ingang van de sleufsilo aan de zuidzijde van de inrichting blijkens de tekening het dichtst bij de woning van appellant sub 1 is gelegen, geeft het akoestische rapport, voorzover het de tractorbewegingen betreft, geen volledig beeld van het door de inrichting veroorzaakte geluid. Voorts is, mede gezien het feit dat aan het bestreden besluit geen voorschriften zijn verbonden die het gebruik van de ingang aan de zuidzijde van de sleufsilo verbieden, niet aannemelijk geworden dat deze zuidingang niet zal en kan worden gebruikt. Gelet op het vorenstaande kan de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig en de daaraan ten grondslag liggende motivering niet toereikend worden geacht. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9. Ten aanzien van het beroep van appellant sub 1 met betrekking tot het verbod bepaalde kuilvoeropslagen gedurende de avondperiode te gebruiken overweegt de Afdeling als volgt.

Uit het bestreden besluit in samenhang gezien met de overdrachtsberekening volgt dat de tractorbewegingen op de voerplaten met nummers 45 tot en met 48 tot gevolg hebben dat niet aan de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau in de avondperiode kan worden voldaan. Voorts hebben verweerders in de overdrachtsberekening slechts de geluidbelasting afkomstig van tractoren in sleufsilo 49 in de dagperiode bepaald. Uit het rapport van februari 2002, waarin de tractorbewegingen in en nabij de sleufsilo 49 in de avondperiode wel zijn beoordeeld, blijkt dat deze tractorbewegingen niet aan de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau in de avondperiode kunnen voldoen. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders de genoemde activiteiten geweigerd en hebben zij de voorschriften 1.28, 2.18, 2.21 en 2.22 aan de vergunning verbonden. In deze voorschriften is bepaald dat in de avondperiode geen vervoersbewegingen op de voerplaten mogen plaatsvinden, de silo’s tussen 19.00 uur en 07.00 uur niet mechanisch of pneumatisch mogen worden gevuld en het veevoer gedurende deze tijden niet mag worden in- en uitgekuild. Nu uit het vorenstaande volgt dat genoemde kuilvoeropslagen in de avondperiode niet mogen worden gebruikt, treffen de bezwaren van appellant in zoverre geen doel.

Wat betreft het in figuur 1 van het bestreden besluit opgenomen gearceerde deel van de inrichting waar geen tractorbewegingen mogen plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit deel van de inrichting ziet op de in de tekening aangegeven voerplaten met nummers 45 tot en met 48. Echter, het in figuur 1 gearceerde gedeelte van de inrichting komt blijkens de tekening en de ter zitting overgelegde foto niet overeen met de plaats waar de voerplaten met nummers 45 tot en met 48 daadwerkelijk zijn gelegen. Nu verweerders de tractorbewegingen op deze voerplaten wel hebben beoogd te verbieden, is het bestreden besluit wat figuur 1 in samenhang gezien met voorschrift 1.28 betreft in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.10. Appellant sub 1 heeft voorts bezwaren aangevoerd ten aanzien van de in voorschrift 1.29 opgenomen twaalf-dagen-regeling. Hij is verder van mening dat het in- en uitkuilen van veevoer, net als het vullen van de voersilo’s, ook op zon- en feestdagen moet worden verboden.

Het beroep van appellant sub 2 richt zich tegen de tegenstrijdigheid van het bepaalde in voorschrift 2.21 met de in voorschrift 1.29 opgenomen twaalf-dagen-regeling.

2.10.1. Ingevolge voorschrift 1.29, voorzover hier van belang, mag overschrijding van voorschrift 1.22 maximaal 12 dagen per kalenderjaar plaatsvinden tot een niveau van 50, 45 en 40 dB(A) in achtereenvolgens de dag-, avond- en nachtperiode. Deze dagen mogen geen aaneengesloten periode vormen langer dan 3 dagen.

Ingevolge voorschrift 2.18 is het pneumatisch vullen van silo’s verboden tussen 19.00 uur en 07.00 uur, alsmede op zondagen en algemeen erkende feestdagen.

Ingevolge voorschrift 2.21 mag het inkuilen van veevoer niet plaatsvinden tussen 19.00 en 07.00 uur.

Ingevolge voorschrift 2.22 mag het uitkuilen van veevoer niet plaatsvinden tussen 19.00 en 07.00 uur.

2.10.2. Uit de aanvraag in samenhang gelezen met de daarbij behorende toelichting blijkt dat de aan- en afvoerbewegingen vermeld op het aanvraagformulier de reguliere bedrijfsomstandigheden betreffen. Hieruit blijkt voorts dat bij calamiteiten en seizoensgebonden werkzaamheden de vervoersbewegingen incidenteel buiten de op het aanvraagformulier genoemde tijden kunnen plaatsvinden. Verweerders hebben wat betreft de incidentele bedrijfsactiviteiten voorschrift 1.29 aan de vergunning verbonden. Zij hebben hiervoor aansluiting gezocht bij het in paragraaf 5.3 van de Handreiking opgenomen 12 dagen-criterium in niet-representatieve bedrijfssituaties, waarin is bepaald dat ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning.

Uit voorschrift 1.29 blijkt niet op welke incidentele activiteiten dit voorschrift betrekking heeft. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de incidentele vervoersbewegingen slechts betrekking hebben op het inkuilen van veevoer, hetgeen door vergunninghouder en verweerders ter zitting is bevestigd. Nu verweerders in voorschrift 1.29 niet hebben vermeld welke incidentele activiteiten maximaal 12 dagen per jaar kunnen plaatsvinden en de - kennelijk door verweerders beoogde - beperking van de incidentele activiteiten tot het inkuilen van veevoer niet tot uitdrukking komt in voorschrift 1.29, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat voorschrift 1.29 betreft in strijd is met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet zijn genomen.

Wat voorschrift 2.21 betreft is ter zitting gebleken dat verweerders hebben bedoeld dat dit voorschrift het inkuilen van veevoer in de avond- en nachtperiode verbiedt behoudens het bepaalde in voorschrift 1.29, zodat het bestreden besluit wat voorschrift 1.22 betreft eveneens in strijd is met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

Vergunninghouder heeft ter zitting betoogd dat op zon- en feestdagen, behoudens in het geval van incidentele activiteiten als bedoeld in voorschrift 1.29, niet wordt gewerkt, hetgeen door verweerders niet is weersproken. Voorts is ter zitting is gebleken dat verweerders hebben beoogd de voorschriften 2.21 en 2.22 niet slechts te laten zien op het verbod om veevoer in de avond- en nachtperiode in- en uit te kuilen, maar tevens op het verbod om deze activiteiten uit te voeren op zon- en feestdagen, behoudens de in voorschrift 1.29 opgenomen 12 dagen-regeling. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de voorschriften 2.21 en 2.22 in strijd zijn met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid wordt genomen.

2.11. Appellant sub 1 is van oordeel dat de aan de onderhavige vergunning verbonden voorschriften onvoldoende tegemoetkomen aan bodemverontreiniging als gevolg van de opslag van vloeibare afvalstoffen en uit het kuilvoer zakkend vocht. Voorts meent hij dat er ernstige vervuiling van de sloot zal plaatsvinden als gevolg van de opslag van kuilvoer in de sleufsilo.

2.11.1. Ter voorkoming van bodemverontreiniging en (grond)waterverontreiniging hebben verweerders onder andere de voorschriften 1.12 tot en met 1.15 (opslag van vloeibare afvalstoffen), 2.5 en 2.10 (drijfmest), 2.12 en 2.13 (opslag van vaste mest, compost en organisch afval) en de voorschriften 2.24 tot en met 2.27 (kuilvoeropslag) aan de vergunning verbonden. Zij zijn van mening dat met deze voorschriften de bodem en het (grond)water voldoende worden beschermd.

2.11.2. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de in de hiervoor genoemde voorschriften opgenomen maatregelen en de onderlinge samenhang tussen deze voorschriften, mag worden aangenomen dat deze voorschriften het uitlekken van stoffen en vocht naar de bodem en het (grond)water voldoende voorkomen. Verweerders hebben zich, gezien hetgeen zij bij de beoordeling van deze aspecten hebben betrokken, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hiervoor bedoelde voorschriften toereikend zijn en geen aanvullende voorschriften nodig zijn.

Voorzover appellant sub 1 vreest dat er lozing op de sloot plaats vindt, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. Dit bezwaar van appellant faalt derhalve.

2.12. Het beroep van appellant sub 1 is gelet op de rechtsoverwegingen 2.6.3, 2.8.4, 2.9, 2.10.2, en 2.12 gegrond. Het beroep van appellant sub 2 is gelet op rechtsoverweging 2.10.2 gegrond. Aangezien de aspecten stankhinder en geluid in hoge mate bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit te worden vernietigd. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking.

2.13. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellant sub 1 en appellant sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Werkendam van 2 oktober 2001;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Werkendam in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 voor appellant sub 1, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot een bedrag van € 437,00 voor appellant sub 2, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de gemeente Werkendam te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Werkendam aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,36 voor appellant sub 1 en € 109,36 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

312-374.