Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200200121/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200121/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging “Belangenvereniging Stationsweg”, gevestigd te Maarssen,

2. de vereniging “Belangenvereniging Friezenbuurt Leefbaar”, gevestigd te Maarssen,

en

gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2001 heeft de gemeenteraad van Maarssen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 april 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Maarsser Bruglocaties".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 20 november 2001,

nr. 2001REG002928i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 7 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2002, en appellante sub 2 bij brief van 7 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante sub 2. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Appellante sub 2 is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Maarssen, vertegenwoordigd door G. Gerrietsen, wethouder, en A. de Vos, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan vormt het juridisch-planologische kader voor de ontwikkeling van woningbouwlocaties gelegen aan weerszijden van het Amsterdam-Rijnkanaal ter hoogte van de Maarsserbrug, die zelf ook deel uitmaakt van het plangebied.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders aan het plan goedkeuring verleend.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Beroepen van appellanten voorzover overeenstemmend

2.3. Appellanten kunnen zich niet met het plan verenigen en stellen dat verweerders daaraan ten onrechte goedkeuring hebben verleend. Zij voeren aan dat de procedure die gevolgd is bij de totstandkoming van het plan gebrekkig is geweest, waardoor de inspraak van burgers is uitgehold en appellanten zich slechts konden uitspreken over een plan dat op veel punten niet voltooid was. Ook zijn hun zienswijzen en bedenkingen naar hun mening onvoldoende beantwoord door respectievelijk de gemeenteraad en verweerders. Voorts is de motivering van het plan ten aanzien van de regionale woningbehoefte ondeugdelijk en is het plan strijdig met het Streekplan, de gemeentelijke structuurvisie en overig gemeentelijk beleid, aldus appellanten. Zij stellen dat onvoldoende deugdelijk onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de directe omgeving van het plangebied en dat veel noodzakelijk onderzoek eerst na vaststelling van het plan was afgerond. Zij betogen in dit verband dat geen inzicht wordt geboden in de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de omgeving van het plangebied en dat naar verwachting de bestaande wateroverlast in hun woonwijken zal toenemen. Voorts verwachten zij dat de geluidsbelasting op de woningen in de omgeving van het plangebied aanzienlijk zal toenemen en stellen zij dat dit aspect onvoldoende en aan de hand van onjuiste gegevens is onderzocht. In dit verband betogen zij dat oneigenlijk gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om ontheffing te vragen van de wettelijke normen voor geluidsbelasting. Ten onrechte zijn volgens hen geen alternatieve wijzen van ontsluiting van de nieuwe woonwijk onderzocht die minder belastend zijn.

Zij voeren verder aan dat de planvoorschriften op het punt van de bebouwingshoogte voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, waardoor in de kap van de woningen langs het Amsterdam-Rijnkanaal een extra bouwlaag kan worden aangebracht.

2.3.1. De gemeenteraad stelt dat in het kader van het Regionaal Structuurplan dat door het Bestuur Regio Utrecht is opgesteld, de gemeente Maarssen voor de regionale woning(bouw)markt een woningbouwtaak van 800 woningen heeft gekregen welke bij herijking met 650 woningen is verhoogd. Hij geeft toe dat niet alle in het kader van de totstandkoming van het plan toegezegde onderzoeken tijdig zijn verricht, maar stelt dat deze zullen zijn afgerond op het moment dat de eerste bouwvergunning zal worden verleend. Met betrekking tot de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan merkt de gemeenteraad op dat een waterhuishoudkundig plan zal worden opgesteld dat ter goedkeuring aan de betrokken Hoogheemraadschappen zal worden voorgelegd. Ten aanzien van de geluidsbelasting van bestaande woningen heeft hij overwogen dat wordt voldaan aan de normen van de Wet geluidhinder en dat het aantal woningen waarvoor een ontheffing vereist is, aanvaardbaar wordt geacht. De ontsluiting van de bestaande en te bouwen woonwijken is volgens de gemeenteraad voldoende onderzocht en in het plan is de best haalbare oplossing opgenomen. Door de goothoogte van de te bouwen woningen vast te leggen wordt volgens hem voorkomen dat woonlagen in de kap ontstaan, welke slechts zijn toegestaan waar dit nadrukkelijk in het plan is toegestaan.

2.3.2. Verweerders constateren dat de gemeenteraad de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven procedure op juiste wijze heeft gevolgd. Het plan wordt in overeenstemming geacht met het Streekplan en het gemeentelijke structuurplan. Gelet op de grote regionale woningbehoefte wordt de in het plan gegeven motivering op dit punt deugdelijk gevonden. Het in het kader van het plan verrichte onderzoek wordt door verweerders als voldoende beoordeeld. Ten aanzien van de waterhuishouding in het plangebied sluiten verweerders zich aan bij het standpunt van de gemeenteraad. Volgens hen is ook voldoende onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van het plan. Zij wijzen erop dat de door de gemeenteraad gevraagde ontheffing van grenswaarden vóór de vaststelling van het plan is verleend. Voorts kunnen zij instemmen met de planvoorschriften op het punt van de bebouwingshoogte.

2.3.3. Aan de Afdeling is niet gebleken dat de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven procedure niet op een juiste wijze is gevolgd. De gemeenteraad is uitvoerig op de door appellanten ingediende zienswijzen ingegaan en verweerders hebben de ingebrachte bedenkingen besproken of zich aangesloten bij de door de gemeenteraad gegeven argumentatie. De stelling van appellanten dat hun zienswijzen en bedenkingen volstrekt onvoldoende zijn beantwoord, is dan ook onjuist. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een groot deel van de zienswijzen en bedenkingen betrekking heeft op aspecten die buiten de reikwijdte van het voorliggende plan gelegen zijn.

Het plan is niet in strijd met het Streekplan Utrecht 1994 nu in het plan gebruik wordt gemaakt van de inbreidingslocaties waarop de gemeente Maarssen, blijkens de tekst van het Streekplan, is aangewezen. Met het plan wordt voldaan aan de woningbouwtaak die door het Bestuur Regio Utrecht in het Regionaal Structuurplan aan de gemeente Maarssen is opgelegd. Van strijd met de gemeentelijke structuurvisie of overig gemeentelijk beleid is de Afdeling niet gebleken.

2.3.4. Met betrekking tot het bezwaar van appellanten dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de omgeving van het plangebied, overweegt de Afdeling als volgt. Uit artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 volgt dat ten behoeve van het opstellen van een bestemmingsplan voldoende kennis beschikbaar moet zijn. Dit betekent niet dat al het onderzoek naar mogelijke aspecten die samenhangen met het plan voor de vaststelling daarvan moet zijn verricht. Uit de stukken blijkt dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek is verricht, waaronder een akoestisch onderzoek, alsmede onderzoek met betrekking tot de waterhuishouding en de ecologische waarden van het plangebied. Gelet hierop mochten verweerders ervan uitgaan dat de gemeenteraad over voldoende kennis beschikte om tot een goed afgewogen besluit te komen.

2.3.5. Met betrekking tot de bezwaren van appellanten ten aanzien van de waterhuishouding overweegt de Afdeling als volgt. Uit de toelichting bij het plan blijkt dat in het kader van de voorbereiding van het plan met de Hoogheemraadschappen Amstel, Gooi en Vecht en Stichtse Rijnlanden overleg heeft plaatsgevonden over de specifieke randvoorwaarden bij bebouwing van het plangebied. Verder blijkt daaruit dat een globaal onderzoek heeft plaatsgevonden naar de waterhuishouding in het plangebied. Uit de overige stukken en het verhandelde ter zitting, blijkt dat bij de definitieve uitwerking van het plan een waterhuishoudkundig plan zal worden opgesteld dat wordt voorgelegd aan deze Hoogheemraadschappen ter verkrijging van een keurvergunning. Verder heeft de gemeenteraad aangegeven dat naar de wateroverlast in de bestaande aangrenzende wijken onderzoek zal worden verricht en dat de resultaten daarvan bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan zullen worden betrokken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de waterhuishoudkundige aspecten van het plan afdoende zijn beoordeeld en gewaarborgd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gemeenteraad heeft toegezegd dat achter de huizen aan Stationsweg en de Friezenbuurt een afwateringssloot zal worden aangelegd.

Met betrekking tot het betoog van appellanten over de geluidsbelasting van bestaande woningen, merkt de Afdeling op dat niet is gebleken dat niet aan de Wet geluidhinder is voldaan. In dit verband is niet gebleken dat het in het kader van het plan verrichte akoestische onderzoek gebrekkig is of op onjuiste gegevens is gebaseerd. Het besluit van de provincie om een hogere toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen, is als zodanig in deze procedure niet aan de orde. Overigens merkt de Afdeling op dat het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van de Afdeling van heden,

nr. 200201289/1, ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot het betoog dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve wijzen van ontsluiting, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er onderzoek is verricht naar alternatieven voor de in het plan gekozen wijze van ontsluiting. Niet aannemelijk is geworden dat dit onderzoek onvoldoende is. Overigens merkt de Afdeling op dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Met betrekking tot het bezwaar van appellanten over de mogelijkheid om de appartementen langs het Amsterdam-Rijnkanaal te voorzien van een extra bouwlaag door middel van een woonlaag in de kap, overweegt de Afdeling als volgt. Op de plankaart is met een asterisk aangegeven in welke bebouwingsklassen een woonlaag in de kap is toegestaan. Deze aanduiding is slechts gegeven aan het bouwvlak met de bebouwingsklasse IE. In artikel 10, lid 3, van de planvoorschriften is voor deze bebouwingsklasse expliciet bepaald dat een woonlaag in de kap is toegestaan. De Afdeling leidt hieruit af dat een woonlaag in de kap niet is toegestaan in de door appellanten bedoelde appartementen die vallen in de bebouwingsklassen IA, IB en IC als bedoeld in artikel 10, lid 3, van de planvoorschriften. In dit artikellid is immers niets bepaald over een woonlaag in de kap en op de plankaart ontbreekt bij de bedoelde bebouwingsvlakken de aanduiding -een asterisk- dat een woonlaag in de kap is toegestaan. De vrees van appellanten dat de bedoelde appartementen kunnen worden voorzien van een extra bouwlaag is dan ook ongegrond.

Beroep van de Belangenvereniging Stationsweg voor het overige

2.4. De Belangenvereniging Stationsweg voert voorts nog aan dat het stationsgebied in het plan ten onrechte is aangemerkt als B-locatie in plaats van C-locatie zodat de daar in het plan voorziene kantoorpanden niet passend zijn. Eveneens is volgens haar onvoldoende onderzoek verricht naar de ecologische aspecten van het plangebied en is onvoldoende aandacht besteed aan veiligheidsaspecten met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal en het spoor.

2.4.1. De gemeenteraad wijst erop dat het stationsgebied in het Regionaal Structuurplan is aangewezen als B-locatie en dat daarom is gekozen voor een geïntegreerde ontwikkeling van kantoren, detailhandel en station. De natuurwaarden in het plangebied zijn volgens hem onderzocht en met de resultaten van dit onderzoek is in het plan rekening gehouden. Aan de hand van het rapport “Risico-analyse Amsterdam-Rijnkanaal”, d.d. 1 april 1998 van de Bouwdienst Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is door de gemeenteraad het risico van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal beoordeeld. Onderzoek naar het risico van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor valt volgens hem buiten het kader van dit plan en maakt deel uit van het bestemmingsplan “Spoorverdubbeling”.

2.4.2. Verweerders stellen dat het verrichte ecologische onderzoek afdoende is en sluiten zich voor het overige aan bij de argumentatie van de gemeenteraad.

2.4.3. In het Regionaal Structuurplan is het stationsgebied van Maarssen aangeduid als een gebied dat zich, door de ontwikkeling van het zogenoemde hoogwaardig openbaar vervoer, gedurende de planperiode zal ontwikkelen tot

B-locatie. Gelet hierop hebben verweerders in redelijkheid kunnen instemmen met de door de gemeenteraad aan het gebied toegekende bestemmingen. Blijkens de plantoelichting zijn de ecologische aspecten van het plan onderzocht in het “Onderzoek ecologische aspecten” van december 1999 van Kuiper Compagnons, Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Architectuur BV. Niet gebleken is dat dit onderzoek gebrekkig dan wel onvoldoende is om deze aspecten te kunnen beoordelen. Ten aanzien van het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal, is de Afdeling van oordeel dat dit risico afdoende is onderzocht in het bovengenoemde rapport van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Uit dit onderzoek blijkt niet van ernstige bezwaren tegen woningbouw in het plangebied. Ten aanzien van het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor hebben verweerders op goede gronden kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat deze problematiek bij het bestemmingsplan “Spoorverdubbeling” aan de orde is geweest.

Beroep van de Belangenvereniging Friezenbuurt Leefbaar voor het overige

2.5. De Belangenvereniging Friezenbuurt Leefbaar voert voorts nog aan dat de woningdichtheid in het plangebied en de directe omgeving te hoog wordt ten opzichte van de hoeveelheid groen. De gemeenteraad komt zijn toezegging dat de bestaande groengebieden evenals het trapveld, in het plangebied en daarbuiten zullen worden gecompenseerd, volgens haar niet na. Ook is onduidelijk in hoeverre de bestemming “Groenvoorziening” daadwerkelijk ruimte laat voor groen. Volgens haar is, gelet op de samenhangende infrastructurele problematiek, het kruispunt van de Binnenweg met de Straatweg ten onrechte buiten het plan gelaten, evenals de ontsluiting van de Friezenbuurt. Onduidelijk is volgens haar hoe het bouwverkeer de bouwlocaties kan bereiken zonder de oude buurten te benadelen. Voorts is onduidelijk hoe de door de gemeenteraad toegezegde afwateringssloot achter de Friezenbuurt kan worden gerealiseerd.

2.5.1. Verweerders stellen zich met de gemeenteraad op het standpunt dat in het plangebied in voldoende mate in groenvoorzieningen is voorzien.

Zij kunnen voorts instemmen met de door de gemeenteraad gekozen begrenzingen van het plan.

2.5.2. Het bezwaar van appellante over de concrete invulling van de bestemming “Groenvoorziening”, heeft betrekking op de uitvoering van het plan, die in deze procedure niet ter beoordeling staat. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de door appellante gestelde mogelijke overlast van bouwverkeer dermate ernstig zal zijn dat verweerders om die reden goedkeuring aan het plan hadden moeten onthouden. Het bezwaar van appellant met betrekking tot de realisering van de toegezegde afwateringssloot, mist feitelijke grondslag nu de bestemming “Woongebied” de aanleg van een afwateringssloot mogelijk maakt. Overigens is ter zitting van de zijde van het gemeentebestuur bevestigd dat de afwateringssloot zal worden aangelegd. Voorts is niet aannemelijk geworden dat in het plangebied het aantal woningen te groot is ten opzicht van de hoeveelheid groen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat het in het plangebied aanwezige groen zoveel mogelijk blijft behouden of binnen het plangebied wordt gecompenseerd. Verweerders behoefden in dit bezwaar dan ook geen aanleiding te zien om aan het plan goedkeuring te onthouden.

Ten aanzien van de bezwaren van appellante over de begrenzingen van het plan, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deze ook overigens terecht hebben goedgekeurd.

Slotconclusie

2.6. Gelet op al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

234-417.