Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200105209/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105209/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de [rechtspersoon], gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 11 september 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Denekamp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders van Denekamp (hierna: burgemeester en wethouders) appellante op straffe van een dwangsom van ƒ 2000,- per dag en met een maximum van ƒ 60.000,-gelast een door haar aangelegde parkeerplaats op het perceel [locatie] te verwijderen.

Bij besluit van 11 januari 2001 hebben zij het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 december 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders haar niet opnieuw, thans op straffe van een hogere dwangsom dan de eerste keer, konden aanschrijven faalt. Ingevolge het bestemmingsplan “Grensovergang Rammelbeek” rusten op het betrokken perceel de bestemmingen “Tuinen” en “Eengezinshuizen E2-0”. Vast staat dat de parkeerplaats in strijd met deze bestemmingen is aangelegd ten behoeve van de door appellante geëxploiteerde supermarkt. Dat appellante, naar zij stelt, op 17 juni 1999 de bakstenen bestrating van de inritten van de parkeerplaats heeft verwijderd, deze inritten daarmee heeft geblokkeerd en de parkeerplaats, die door middel van een betonnen wand is afgescheiden van een bestaande parkeerplaats, sedertdien niet meer als zodanig heeft gebruikt, leidt niet tot het oordeel dat op 11 januari 2001 sprake was van een ingevolge de planvoorschriften toegestane erfverharding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante de verharding niet gebruikt voor de verwezenlijking van een of meer van de voormelde bestemmingen en het terrein voorts op eenvoudige wijze weer toegankelijk kan worden gemaakt voor het parkeren van motorvoertuigen.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen mag een bestuursorgaan niet handhavend optreden tegen een illegale situatie, als hier aan de orde. Een bijzonder geval kan worden aangenomen, indien concreet zicht bestaat op legalisering. De rechtbank heeft terecht niet aanvaard dat daarvan in dit geval sprake was. Daartoe wordt onder overneming mutatis mutandis van de desbetreffende overwegingen in de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2001 in zaak nr 200003027/1, gedaan in een vergelijkbaar geschil tussen dezelfde partijen, overwogen dat de plannen betreffende de ontwikkeling van het grensgebied ook ten tijde van het besluit van 11 januari 2001 geen grond boden voor het oordeel dat het bestemmingsplan binnen afzienbare tijd in de door appellante voorgestane zin zou worden herzien.

2.3. Tenslotte faalt ook het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de dwangsom onredelijk hoog is. Mede in aanmerking nemende dat appellante eerder is aangeschreven om de parkeerplaats te verwijderen, is de rechtbank appellante terecht niet gevolgd in het betoog dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Boer

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

201-397.