Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200200368/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200368/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Veghel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2001 hebben verweerders geweigerd aan appellant krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 10 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door ing. S.H.E. Vloet, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerders hebben de gevraagde vergunning geweigerd omdat vergunningverlening in strijd met de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) zou leiden tot een toename van de ammoniakdepositie op het dichtstbij de inrichting gelegen voor verzuring gevoelige gebied en tot ontoelaatbare cumulatieve stankhinder.

2.2. Appellant is van mening dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat vergunningverlening leidt tot een toename van de ammoniakdepositie. Volgens appellant hebben verweerders bij de toepassing van de Interimwet ten onrechte geen rekening gehouden met het veebestand dat ten tijde van de inwerkingtreding van de Interimwet op 26 augustus 1994, op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit), in de inrichting werd gehouden. Vergunningverlening kan wat betreft de door de inrichting veroorzaakte ammoniakdepositie worden gebaseerd op artikel 5 van de Interimwet, aldus appellant.

2.2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Interimwet moet een vergunning voor een veehouderij worden geweigerd, voorzover de ammoniakdepositie die de veehouderij kan veroorzaken op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, meer bedraagt dan de ingevolge de artikelen 4 tot en met 8 voor de betrokken veehouderij geldende waarde.

Ingevolge artikel 5 van de Interimwet, voorzover hier van belang, geldt voor een veehouderij waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een onherroepelijke vergunning gold, als waarde voor de ammoniakdepositie de waarde van de depositie die op die datum ingevolge die vergunning ten hoogste was toegestaan.

Gezien de strekking van dit artikel, te weten het bieden van bescherming aan gevallen waarin legaal vee is gehouden, moet dit artikel zo worden opgevat dat het mede betrekking heeft op gevallen waarin op grond van het Besluit geen vergunning was vereist. Het onder de werking van het Besluit gehouden veebestand dient te worden beschouwd als het veebestand dat krachtens een onherroepelijke vergunning is gehouden.

2.2.2. Verweerders zijn van mening dat vergunningverlening met overeenkomstige toepassing van artikel 5 van de Interimwet niet mogelijk is omdat appellant bij de aanvraag, noch na een daartoe strekkend verzoek van verweerders, gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt welk veebestand op 26 augustus 1994 werd gehouden.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat door appellant geen gegevens zijn verstrekt waaruit blijkt welk veebestand ten tijde van de inwerkingtreding van de Interimwet in de inrichting werd gehouden. De op grond van het Besluit op 31 januari 1994 gedane melding, waarop appellant in zijn bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit en in zijn beroepschrift heeft gewezen, biedt onvoldoende houvast voor de bepaling van het op 26 augustus 1994 gehouden veebestand, nu hieruit niet blijkt dat de in die melding vermelde dierenaantallen ook daadwerkelijk zijn gehouden. Nu appellant, ook na een daartoe strekkend verzoek van verweerders, geen gegevens inzake het op 26 augustus 1994 gehouden veebestand heeft overgelegd, hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 5 van de Interimwet en vergunningverlening in strijd met artikel 3 van de Interimwet zou leiden tot een toename van de ammoniakdepositie, zodat zij de vergunning vanwege dit aspect terecht hebben geweigerd. De door appellant overgelegde Aanslag uitvoering heffingsverordeningen 1994 van het Landbouwschap noch de ter zitting door appellant overgelegde verklaring van H. Opheij, die op 26 augustus 1994 drijver van de inrichting was, uit welke stukken het in 1994 gehouden veebestand zou moeten blijken, kunnen hieraan afdoen, nu deze eerst in de beroepsprocedure zijn ingebracht en verweerders ten tijde van het bestreden besluit niet over deze documenten konden beschikken. Het beroepsonderdeel treft geen doel.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant voert aan dat verweerders bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder de woning [locatie] ten onrechte hebben aangemerkt als categorie III bebouwing. Volgens appellant betreft het een voormalige bedrijfswoning die als niet-stankgevoelig object dient te worden aangemerkt.

2.4.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport “Beoordeling cumulatieve stankhinder door intensieve veehouderij” (Publicatiereeks Lucht 46; hierna: het rapport) tot uitgangspunt gekozen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. Verder hebben zij het onderdeel over de functieverandering uit paragraaf 2, subparagraaf 2.2, onderdeel 6, derde alinea, van de Richtlijn veehouderij en stankhinder (hierna: de Richtlijn) toegepast. Dit onderdeel van de Richtlijn kent als uitgangspunt dat een woning die in hetzelfde bouwblok is gelegen als een veehouderij, ingeval van opsplitsing van die veehouderij geen beschermenswaardig object is, tenzij er sprake is van een aanmerkelijke uitbreiding van de veehouderij die in redelijkheid voor de gebruiker van die woning niet voorzienbaar was. Wanneer in de toekomst de veehouder een aanmerkelijke uitbreiding van zijn bedrijf aanvraagt, dan moet worden beoordeeld of de gebruiker van de betreffende binnen hetzelfde bouwblok gelegen woning deze uitbreiding indertijd had kunnen voorzien.

2.4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de gevraagde vergunning leidt tot overschrijding van de in het rapport genoemde normen voor cumulatieve stankhinder indien de woning [locatie] als categorie III bebouwing moet worden aangemerkt.

Ten tijde van het bestreden besluit was de woning gelegen in hetzelfde bouwblok als de inrichting. Tot medio 1999 is de woning in gebruik geweest als bedrijfswoning bij de onderhavige inrichting. Medio 1999 is de woning verkocht aan derden. Gelet op deze wisseling van eigendom van de woning is sprake van functieverandering als bedoeld in paragraaf 2, subparagraaf 2.2, onderdeel 6, derde alinea, van de Richtlijn.

De vergunningaanvraag heeft betrekking op het oprichten van een veehouderij. Het in de aanvraag genoemde veebestand komt overeen met 126,3 mestvarkeneenheden zodat vergunningverlening ertoe zou leiden dat het aantal mestvarkeneenheden, waarmee het in de inrichting gehouden veebestand overeenkomt, toeneemt van 0 tot 126,3. Verweerders hebben zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een aanmerkelijke uitbreiding. De huidige bewoners van de woning [locatie] hebben deze uitbreiding ten tijde van het verkrijgen van de eigendom van hun woning niet kunnen voorzien, teminder nu de uitbreiding gepaard gaat met een overschakeling van melkrundvee naar vleesvee. Gelet hierop hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat deze woning als stankgevoelig object dient te worden aangemerkt, waarmede bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder rekening dient te worden gehouden. Niet in geschil is dat de woning een enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied betreft, zodat verweerders de woning terecht als categorie III bebouwing hebben aangemerkt. Vergunningverlening leidt tot overschrijding van de normen die zijn opgenomen in het door verweerders voor de beoordeling van cumulatieve stankhinder tot uitgangspunt gekozen rapport. Gelet hierop hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vergunningverlening leidt tot onaanvaardbare cumulatieve stankhinder en hebben zij de vergunning terecht geweigerd.

2.4.3. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

325.