Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200105761/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Saneringsregeling asbestwegen Twente
Saneringsregeling asbestwegen Twente 1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105761/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2000 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een gesubsidieerde maatregel in het kader van de Saneringsregeling asbestwegen Twente (hierna: de Saneringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2000 heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 juli 2001 heeft de Afdeling het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 november 2000 vernietigd.

Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft verweerder het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 januari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2002, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup en mr. ir. R. Wolters, ambtenaren van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

Bij brief van 4 juli 2002 heeft verweerder gereageerd op het ter zitting door appellant overgelegde technische rapport van ACMAA Almelo B.V., laboratorium voor vezelonderzoek (hierna: ACMAA). Met toestemming van partijen is afgezien van een voortzetting van de behandeling ter zitting. Vervolgens is met toepassing van artikel 8:65, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Saneringsregeling is een ministeriële subsidieregeling ingevolge artikel 15:13 van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Saneringsregeling wordt in die regeling onder asbestbevattende weg verstaan een weg, waarin de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, beide bepaald volgens NEN 5897, uitgave februari 1999, meer is dan honderd milligram per kilogram.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Saneringsregeling – voorzover hier van belang – wordt onder weg verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Regeling asbestwegen Wms.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling asbestwegen Wms wordt onder een weg verstaan: weg, pad, erfverharding of gedeelte daarvan, alsmede andere grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt.

De Regeling asbestwegen Wms is een ministeriële regeling ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, die ingevolge artikel 31, tweede lid, van die wet per 24 oktober 2000 is vervangen door het Besluit asbestwegen Wms. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit asbestwegen Wms wordt onder een weg in dat besluit hetzelfde verstaan als in de Regeling asbestwegen Wms.

2.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hij het begrip asbestbevattende weg uit de Saneringsregeling opvat als dat gedeelte van een weg waarin de asbestconcentratie hoger is dan de in het Besluit asbestwegen Wms genoemde concentratie en dat per aanvraag wordt beoordeeld welke gedeelten van de weg waarop de aanvraag betrekking heeft als asbestbevattende weg zijn aan te merken. Hij heeft gesteld dat voor de aanvraag met nr. 166 en kadastrale aanduiding F1892 is gebleken dat de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie in de weg en de stroken, kleiner is dan of gelijk is aan honderd milligram per kilogram en dat de aanvraag derhalve is afgewezen.

2.3. Appellant betoogt dat onduidelijk is wat onder een weggedeelte moet worden verstaan en dat verweerders aanpak ertoe leidt dat een weggedeelte dat plaatselijk een asbestconcentratie bevat die hoger is dan de norm, niet voor toekenning van een saneringsmaatregel in aanmerking komt als de concentratie gemiddeld onder de norm blijft. Ook meent hij dat bij andere aanvragen geen sprake is van het opsplitsen van wegen in gedeeltes die wel en gedeeltes die niet voor een maatregel in aanmerking komen. Voorts bestrijdt hij het standpunt van verweerder dat de asbestconcentratie in de weg onder de in de Saneringsregeling opgenomen norm blijft. Hij voert aan dat in het onderzoeksrapport van TNO wordt aangegeven dat er plaatselijk in de weg wel zodanige concentraties asbest gevonden zijn dat op grond daarvan zijn aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt. Ter staving van zijn standpunt heeft hij een recent door hem van ACMAA ontvangen onderzoeksrapport overgelegd waaruit zou blijken dat de in zijn weg voorkomende asbestconcentratie aanzienlijk hoger is dan de norm uit de Saneringsregeling.

2.4. Verweerder heeft in een schriftelijk reactie op het ACMAA-rapport betoogd dat zich volgens dit rapport in het weggedeelte van appellant inderdaad een hoeveelheid asbest boven de norm bevindt. Hij stelt dat het – grote – verschil in uitkomst tussen het ACMAA-onderzoek en het in zijn opdracht uitgevoerde TNO-onderzoek veroorzaakt kan zijn doordat ACMAA bij de meting een “hot-spot”, dat wil zeggen een gat in de weg dat is opgevuld met asbest of met asbestbevattend puin, heeft geraakt. Hij ziet daarom in het ACMAA-rapport geen reden om aan de juistheid van zijn beslissing te twijfelen.

2.5. De onderhavige weg is in opdracht van verweerder door TNO onderzocht. In de toelichting bij één van de TNO-rapporten wordt gesteld dat de locatie is gesplitst in twee sublocaties en dat op basis van het onderzoek, uitgevoerd conform de Ontwerp NEN 5897, de asbestconcentratie in de onderlaag over de gehele weg gezien lager is dan 100 mg/kg.

In het ACMAA-rapport wordt gesteld dat bij het onderzoek de NEN 5897 als leidraad is gebruikt. De conclusie van dit rapport is – voorzover hier van belang – dat in het weggedeelte aan de Rijksweg 30, aangeduid als “AD??”, zowel in de toplaag als in de onderlagen asbesthoudend materiaal is aangetroffen. In het analysecertificaat van dit weggedeelte wordt vermeld dat 2300 milligram asbest per kilogram droge stof is aangetroffen.

2.6. Ter zitting heeft verweerder de meetmethode, die is beschreven in NEN 5897, uitgave februari 1999, nader toegelicht. Voldoende aannemelijk is geworden dat de methode erin voorziet dat per weg kan worden vastgesteld welk gedeelte een hogere en welk gedeelte een lagere concentratie asbest dan de in de Saneringsregeling opgenomen norm bevat en dat een weg wordt opgedeeld in gedeeltes als de gemeten verschillen in asbestconcentratie daartoe aanleiding geven. Het is niet in strijd met de Saneringsregeling dat alleen voor het gedeelte van de weg waarvan is vastgesteld dat dit voor sanering in aanmerking komt, een maatregel wordt toegekend. Niet gebleken is dat andere aanvragen, ondanks dat daarvoor op grond van de meetresultaten aanleiding bestond, niet conform de NEN 5897 in weggedeeltes zijn gesplitst.

Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat de NEN 5897 een meetmethode beschrijft waardoor wordt tegengegaan dat de onderzoeksuitslag een toevalstreffer is. Verweerder heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dat voor het door ACMAA uitgevoerde onderzoek anders is. Bijgevolg is er sprake van gerede twijfel aan de juistheid van de uitslag van het TNO-onderzoek. Die twijfel wordt nog versterkt door de omstandigheid dat in alle omliggende wegen wél een hoge asbestconcentratie is aangetroffen. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 november 2000, DGM/SAS/2001105225;

III. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

229-413.