Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200105398/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105398/1.

Datum uitspraak:18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting “Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek”, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 september 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2001 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de ministeriële regeling van 23 augustus 1956, tot uitvoering van de Wet op de gevaarlijke werktuigen en het Liftenbesluit I gewijzigd, onder meer door het laten vervallen van artikel 2 van de regeling, waarin appellante als enige keuringsinstelling voor liften was aangewezen.

Bij besluit van 5 februari 2001 heeft de staatssecretaris appellante aangewezen als keuringsinstelling, bevoegd tot het verrichten van keuringen van liften en het afgeven van certificaten van goedkeuring overeenkomstig artikel 17 van het Liftenbesluit I.

Bij besluit van 15 februari 2001 heeft de staatssecretaris de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Aboma en Keboma B.V.” te Ede (hierna: Aboma en Keboma B.V.) aangewezen als keuringsinstelling, bevoegd tot het verrichten van keuringen van liften en het afgeven van certificaten van goedkeuring overeenkomstig artikel 17 van het Liftenbesluit I.

Bij besluiten van 27 juli 2001 heeft de staatssecretaris de door appellante tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de president) de door appellante daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 december 2001.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [directeur] en [technisch directeur], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag, bijgestaan door drs. R.O. Triemstra en ing. H. Tamboer, beiden ambtenaar ten departemente, en Aboma en Keboma B.V., vertegenwoordigd door [algemeen directeur] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet op de gevaarlijke werktuigen (hierna: WGW) wijst de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) diensten, instellingen of onderzoekingsbureaus en ondernemingen aan, die met betrekking tot door hem te bepalen soorten van gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen bevoegd zijn tot het verrichten van keuringen, tot het afgeven van certificaten van goedkeuring en tot het aanbrengen van merken van goedkeuring. Aan zodanige aanwijzing kunnen voorwaarden worden verbonden; zij kan te allen tijde worden ingetrokken of gewijzigd.

2.2. In de aanwijzingsbeschikking van 5 februari 2001 is onder artikel 3, eerste lid, aanhef en onder s – voor zover hier van belang - bepaald, dat appellante op een met redenen omkleed verzoek afschriften van dossiers en andere benodigde informatie aan een andere keuringsinstelling dient te verstrekken, voor zover dit in verband met de goede uitvoering van een keuring als bedoeld in artikel 17 van het Liftenbesluit I noodzakelijk is.

2.3. Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 30 januari 2001 en 5 februari 2001 ongegrond zijn verklaard. Appellante bestrijdt met name het aan de aanwijzingsbeschikking van 5 februari 2001, in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder s, verbonden voorschrift. Gelet op het feit dat de oude aanwijzing, zoals neergelegd in de ministeriële regeling van 23 augustus 1956, no. 3112, deze verplichting niet kende, kan niet worden gezegd dat met het hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking daarvan bij besluit van 30 januari 2001, geen procesbelang is gemoeid. Het hoger beroep is derhalve ook in zoverre ontvankelijk.

2.4. Gelet op artikel 5 van de WGW is de minister bevoegd om een aanwijzing te geven, te wijzigen of in te trekken. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Ter toetsing ligt derhalve voor de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de uitoefening van die bevoegdheid in het onderhavige geval in overeenstemming met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft plaatsgevonden.

2.5. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris niet tot intrekking van de oude aanwijzing heeft mogen overgaan, faalt. Voor het oordeel dat dit besluit strijd oplevert met het specialiteitsbeginsel of het verbod op détournement de pouvoir zijn geen aanknopingspunten. Gebleken is voorts dat appellante reeds geruime tijd op de hoogte was van de voorgenomen, met de intrekking van de oude aanwijzing gepaard gaande aanwijzing van andere keuringsinstanties. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is derhalve geen sprake.

2.6. De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de aan de nieuwe aanwijzing verbonden verplichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder s, niet in redelijkheid heeft kunnen opleggen. Artikel 5 van de WGW biedt voor het opleggen van die verplichting voldoende basis. De WGW heeft ten doel het verhogen van de veiligheid van werktuigen. Zij verzet zich niet tegen het naast appellante aanwijzen van andere keuringsinstellingen. Er is ook geen aanleiding het standpunt van de staatssecretaris, dat deze keuringsinstellingen om een lift naar behoren te kunnen keuren over bepaalde technische gegevens van deze lift dienen te beschikken, voor onjuist te houden. De verstrekking op aanvraag van deze gegevens door appellante dient derhalve de productveiligheid en daarmee het doel van de wet. Het betoog van appellante dat de verplichting tot gegevensverstrekking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel kan de Afdeling evenmin volgen. Zij ziet in de eerste plaats geen aanleiding het ter zitting toegelichte standpunt van de staatssecretaris dat met een naar behoren uitvoeren van liftkeuringen een algemeen belang is gediend, voor onjuist te houden. Hieruit vloeit, zoals hiervoor opgemerkt, voort de noodzaak voor een keuringsinstelling om te beschikken over de benodigde technische gegevens van de te keuren liften. Deze gegevens zijn in principe reeds aanwezig in het liftboek, dat de liftbeheerder ingevolge het bepaalde in artikel 22 van het Liftenbesluit I verplicht is bij te houden. De aan appellante - die als gevolg van haar jarenlange monopoliepositie de beschikking heeft over alle liftgegevens - opgelegde verplichting om deze informatie op aanvraag te verstrekken heeft derhalve alleen betekenis voor zover de gegevens in het liftboek ontbreken, waarbij bovendien geldt dat de aanvraag betrekking moet hebben op een specifieke keuring en dat het verstrekken van gegevens in verband met de goede uitvoering van deze keuring noodzakelijk moet zijn. Dat deze verplichting in de praktijk een te grote belasting voor appellante zal betekenen, zoals zij meent, is niet aannemelijk gemaakt.

2.7. Gelet op het ter zitting verhandelde, behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking meer.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt, met enige verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

91-383.