Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7776

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200201055/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 132 met annotatie van F.R. Vermeer
Module Ruimtelijke ordening 2002/1882
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201055/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellanten] en de vereniging "Ondernemersvereniging De Plats",

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Foruminvest B.V.", gevestigd te Naarden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 18 januari 2002 in het geding tussen:

appellanten sub 1

en

burgemeester en wethouders van Echt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders van Echt (hierna: burgemeester en wethouders) een nieuwe verkeersregeling voor de Wijnstraat te Echt getroffen.

Bij besluit van 29 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten sub 1 gemaakte bezwaar terzake van [één van de appellanten sub 1] niet-ontvankelijk verklaard en overigens het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 31 mei 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 januari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd voorzover burgemeester en wethouders het bezwaar van de vereniging "Ondernemersvereniging De Plats" (hierna: De Plats) tegen het besluit van 13 februari 2001 ontvankelijk hebben geacht, het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2002, en appellante sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 18 maart 2002. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 16 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R.M.M. Engelen en W.J.L.M. Hendricks, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van appellante sub 2 dat de rechtbank haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld als partij aan het geding deel te nemen, kan niet slagen. De gronden waarop de rechtbank haar beslissing doet steunen zijn juist. Ook verenigt de Afdeling zich met de vaststelling van de rechtbank dat de bouwvergunning die appellante houdt niet tot een andere conclusie kan leiden dan die waartoe de rechtbank is gekomen. Die vergunning geldt voor de bouw van een winkelcentrum doch op het gebied waar dat centrum moet verrijzen, hebben de door het verkeersbesluit beoogde verkeersmaatregelen geen betrekking. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft appellante wel belang bij die maatregelen, doch dat belang ligt geheel in de met de gemeente gesloten ontwikkelingsovereenkomst zodat de rechtbank dit belang terecht als een afgeleid belang heeft gekwalificeerd.

2.2. Wat betreft appellanten sub 1 heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat [één van de appellanten sub 1] niet als belanghebbende in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt. Zijn stelling dat hij te allen tijde (een van zijn) panden aan de Plats als woning of voor eigen winkeldoeleinden kan betrekken, maakt dit niet anders, nu daarvan ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen sprake was. Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat De Plats gelet op artikel 1:2, derde lid, van de Awb niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.3. Ten aanzien van het hoger beroep van de overige appellanten sub 1 stelt de Afdeling voorop dat de bevoegdheid tot het nemen van verkeersmaatregelen ruime beoordelingsmarges kent, waarbinnen het daartoe bevoegde bestuursorgaan de belangen die bij het nemen van een verkeersbesluit zijn betrokken tegen elkaar afweegt. Dit neemt niet weg dat zich feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het bestuursorgaan, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot het treffen van de verkeersmaatregel heeft kunnen besluiten, dan wel het nadeel daarvan redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene dient te blijven. Dat sprake is van dergelijke feiten en omstandigheden dient in beginsel door betrokkene aannemelijk te worden gemaakt. Of zich een zodanige onevenwichtigheid in de belangenafweging voordoet, dient de rechter met terughoudendheid te toetsen. Mede gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden, als weergegeven in de aangevallen uitspraak, geoordeeld dat er geen plaats is voor vernietiging van de beslissing op bezwaar.

2.4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Broodman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

91-395.