Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200201113/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201113/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging “Vereniging Milieu-Offensief”, gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2001, kenmerk 2876, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie […], nummers […] en […]. Dit aangehechte besluit is op 10 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

[naam rechtspersoon] heeft zich blijkens de aangehechte verklaring van 16 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellant in dit beroep. Namens de stichting “Stichting Wakker Dier” is ter zitting medegedeeld dat zij zich terugtrekt als mede-appellante in dit beroep.

Bij brief van 24 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J. Korterink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij vergunninghouder, in persoon, en bijgestaan door [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat de aanvraag innerlijk tegenstrijdig is. Zij voert hiertoe aan dat uit de tekening volgt dat de 27 melkkoeien niet in Groen Labelstallen zullen worden gehouden nu dit, in tegenstelling tot het aanvraagformulier, op de tekening niet is aangegeven. Daarnaast stelt zij dat op het aanvraagformulier een aantal van 100 melkkoeien is vermeld, terwijl op de tekening slechts 90 melkkoeien zijn aangegeven.

2.1.1. Op de tekening behorende bij de aanvraag, welke onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, is aangegeven dat in de stallen 2 en 5 respectievelijk 22 en 5 melkkoeien in een grupstal zullen worden gehuisvest. Op het aanvraagformulier is vermeld dat de 27 melkkoeien in grupstallen, Groen Labelnummer BB 93.06.009, zullen worden gehuisvest. De tekening en het aanvraagformulier samen bezien maken duidelijk dat de 27 melkkoeien in een Groen Labelstal zullen worden gehouden. Gelet hierop is van innerlijke tegenstrijdigheid van de aanvraag in zoverre geen sprake.

Uit de tekst van het aanvraagformulier blijkt verder dat vergunning is gevraagd voor het houden van 100 melkkoeien, terwijl op de tekening stalruimte voor 90 melkkoeien is aangegeven. Gezien het voorgaande zijn de aanvraag en de daarbij gevoegde tekening innerlijk tegenstrijdig. Hetgeen verweerders hebben betoogd doet hier niet aan af.

Gelet hierop hebben verweerders zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu door de aanvraag mogelijk te maken. Door in zoverre inhoudelijk te beslissen hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart, en met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.2. Appellante voert verder een aantal bezwaren met betrekking tot stankhinder aan. Zij stelt onder meer dat wat betreft de rundveestal (stal 5) en wat betreft de varkensstal ten aanzien van de woning ten noordoosten van het onderhavige bedrijf niet aan de minimaal aan te houden afstand wordt voldaan. Daarnaast is appellante van mening dat verweerders voornoemde woning ten onrechte in categorie III in plaats van categorie II hebben ingedeeld.

2.2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2.2. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.2.3. Ingevolge hoofdstuk 2, paragraaf 2 onder 2, vierde alinea, van de Richtlijn wordt, wanneer binnen één inrichting zowel rundvee, waarvoor vaste afstanden gelden, wordt gehouden én diercategorieën aanwezig zijn waarvoor omrekeningsfactoren gelden, de afstand waarop deze twee delen van de inrichting van een stankgevoelig object liggen, voor ieder deel apart beoordeeld.

Onbestreden staat vast dat ten aanzien van het rundvee (stal 5) niet wordt voldaan aan de ingevolge de Richtlijn minimaal in acht te nemen afstand tot het dichtstbijzijnde stankgevoelige object. Tevens staat vast dat het aantal dieren in deze stal toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie. Verweerders hebben erkend dat bij de toetsing deze uitbreiding van het aantal stuks rundvee in stal 5 ten onrechte buiten beschouwing is gebleven.

Niet in geschil is dat de bij het bestreden besluit vergunde varkens met toepassing van de omrekeningsfactoren van de Richtlijn overeenkomen met 500 mestvarkeneenheden. Volgens de bij de Richtlijn behorende afstandsgrafiek moet, in geval van 500 mestvarkeneenheden, tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting waar de varkens worden gehouden en het dichtstbijgelegen stankgevoelige categorie II en III-object als bedoeld in de brochure een afstand van 145 respectievelijk 100 meter worden aangehouden. Verweerders hebben ter zitting erkend dat de afstand tot de woning ten noordoosten van het onderhavige bedrijf 85 meter bedraagt. Vaststaat derhalve dat, nog daargelaten of de woning een categorie II of III-object is, aan de minimaal aan te houden afstand ingevolge de Richtlijn niet wordt voldaan. Het betoog van verweerders ter zitting dat sprake is van een categorie IV-object in de zin van de brochure doet niet ter zake nu het een woning behorende bij een houtzagerij betreft.

Gelet op het vorenstaande verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre niet met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige bezwaren behoeven geen bespreking meer.

2.4. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Nunspeet van 18 december 2001, kenmerk 2876;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Nunspeet in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Nunspeet te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Nunspeet aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002.

312-373.