Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200202973/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202973/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 1 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam een verzoek van appellant om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar en beroep van 2 augustus 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 1 mei 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2002, waar de raad, vertegenwoordigd door M.M.C. Laan, gemachtigde, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat, nu appellant heeft nagelaten de voor de beoordeling van zijn aanvraag van belang zijnde bewijsstukken over te leggen, de raad geen beeld heeft gekregen omtrent het inkomen en vermogen van appellant en daarom in redelijkheid heeft kunnen weigeren een toevoeging te verlenen. De enkele, in het geheel niet onderbouwde, stelling van appellant in hoger beroep dat hij een inkomen heeft dat ver beneden de toevoeginggrens ligt, leidt niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

195-209.