Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200104129/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104129/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 3 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1. Procesverloop

Bij brief van 23 november 1999 hebben burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: burgemeester en wethouders) [vergunninghouder] medegedeeld dat de gevraagde bouwvergunning voor het vergroten van een paardenstal op een perceel aan de [locatie] (hierna: het perceel), van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 14 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de mededeling dat van rechtswege vergunning is verleend herroepen en met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat gold vóór 3 april 2000, (hierna: de WRO) vrijstelling verleend van het geldende bestemmingsplan en bouwvergunning verleend. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juli 2001, verzonden op 10 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 14 december 2001 heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.J. Haeser, advocaat te Den Haag, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.J. Waleboer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder], bijgestaan door mr. drs. C.G. Meeder, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het vergunde bouwplan voorziet in het vergroten van een reeds gerenoveerde paardenstal van 84 m2 met 126 m2 en het slopen van een los daarvan op het perceel aanwezige bouwvallige stal.

2.2. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” de bestemming “Agrarische doeleinden-A”. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven met behoud en herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuur- en/of cultuurhistorische waarden. Ingevolge het tweede lid van artikel 7, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd, die blijkens aard en indeling rechtstreeks ten dienste staan van het agrarisch bedrijf en/of noodzakelijk zijn voor het behoud en herstel van de in het gebied voorkomende natuur- en/of cultuurhistorische waarden met een maximumhoogte van 2.50 meter. Het derde lid van artikel 7 biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het tweede lid, voor de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen, niet bestemd voor bewoning, zoals veldschuren, melkstallen en schuilgelegenheden met een maximale oppervlakte van 100 m2, en een maximale goothoogte van 3.00 meter. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 8, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, wordt onder “Agrarisch bedrijf” verstaan een veehouderij-, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf, dat functioneel geheel of overwegend (dat wil zeggen voor 60% of meer) gebonden is aan de grond als productiemiddel.

2.3. Niet in geschil is, en de Afdeling is dat ook van oordeel, dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken hebben burgemeester en wethouders met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure bouwvergunning verleend. Aangezien op 6 juli 1998, op 26 april 1999, en op 29 november 1999 voorbereidingsbesluiten zijn vastgesteld en op 5 augustus 1998 van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een verklaring van geen bezwaar is ontvangen, is aan de formele vereisten om aan deze procedure toepassing te geven voldaan. Dat de verklaring van geen bezwaar krachtens (beslis)mandaat door een onder de verantwoordelijkheid van de provincie werkzame ambtenaar is verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hierna zal worden overwogen, vormt, anders dan appellant betoogt, het bouwplan geen ingrijpende inbreuk op de ter plaatse bestaande planologische situatie. Dan is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2000 zaak nr. H01.98.1848 (gepubliceerd in de Gemeentestem nr. 7127, 4), een in mandaat verleende verklaring van geen bezwaar acceptabel.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders bij het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunning er ten onrechte van zijn uitgegaan dat het bouwplan, in overeenstemming met de voorgestane planologische toekomstvisie voor het betrokken gebied, wordt gerealiseerd voor een als agrarisch bedrijf aan te merken paardenfokkerij. Hij stelt dat het hier gaat om een niet als zodanig aan te merken paardenbedrijf gericht op stalling van en recreatieve activiteiten met paarden. Dat betoog faalt. In de notitie “Hoofdlijnen bestemmingsregeling paardenactiviteiten in de herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied” van burgemeester en wethouders is een inventarisatie opgenomen van de in het gebied voorkomende paardenactiviteiten. Daarin staat dit bedrijf vermeld als paardenfokkerij. Dit stemt ook overeen met de door [vergunninghouder] reeds bij brief van 25 januari 1989 aan burgemeester en wethouders verstrekte, uitvoerige toelichting op het ontstaan en de aard van zijn bedrijf. Nu appellant niet met concrete feiten heeft weerlegd dat het hier om een paardenfokkerij handelt, en er ook overigens geen aanwijzingen bestonden voor de onjuistheid van die aanname, konden burgemeester en wethouders van de juistheid daarvan uitgaan.

2.5. Anders dan appellant voorts betoogt, kan het bouwplan niet worden aangemerkt als een ingrijpende inbreuk op de planologische situatie ter plaatse. Daartoe wordt overwogen dat de realisering van het bouwplan een verbetering van de bestaande situatie zal opleveren nu het per saldo slechts gaat om een geringe uitbreiding van de oppervlakte van de thans aanwezige bebouwing, die gedeeltelijk voor sanering in aanmerking kwam. De stelling van appellant dat de bestaande bebouwing niet legaal is gerealiseerd, kan daaraan niet af doen, omdat vaststaat dat die in ieder geval sedert 1987 met medeweten van burgemeester en wethouders aanwezig was, zodat handhavend optreden niet meer in de rede ligt. Appellant heeft daarom ook nooit gevraagd. Voorts valt niet in te zien dat van de omstandigheid dat het geen grondgebonden agrarische activiteit betreft, zoals het bestemmingsplan vereist, een zodanige planologische invloed op het betrokken gebied zal uitgaan, dat daarom geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van een ingrijpende inbreuk. Ook daarvoor geldt dat de paardenfokkerij, die als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf moet worden aangemerkt, reeds lange tijd ter plaatse is gevestigd en als zodanig dan ook als planologisch gegeven dient te worden aanvaard.

2.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. van Angeren w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

27-422.