Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200104573/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104573/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], allen wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Sneek,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2001, kenmerk 11-2001/SRM, hebben verweerders aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het uitbreiden van haar inrichting, gelegen op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 6 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 april 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door de heer H. Gielstra, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De onderhavige inrichting is gericht op de productie van synthetische garens en banden en kunststof vormdelen en op de handel in poetsmaterialen. Bij besluit van 23 december 1997 hebben verweerders aan vergunninghoudster een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op de uitbreiding van de inrichting met een productiehal en een buitenopslagterrein. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat deze uitbreiding, anders dan appellanten betogen, plaatsvindt op het perceel [locatie].

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten vrezen dat de uitbreiding van de inrichting zal leiden tot geluidhinder, aangezien het gebruik van machines en installaties in de inrichting, de transportbewegingen binnen de inrichting en het verkeer van en naar de inrichting aanzienlijk zullen toenemen.

2.3.1. Verweerders menen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden ter voorkoming van geluidhinder.

2.3.2. De onderhavige inrichting is gelegen op het industrieterrein “Lankhorst” te Sneek. Bij besluit van 15 augustus 1989 is rond dit industrieterrein een geluidszone als bedoeld in artikel 53 van de Wet geluidhinder vastgesteld.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften 1 tot en met 4 van Bijlage I zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus opgenomen. Bij het vaststellen van deze voorschriften hebben verweerders zich gebaseerd op het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch rapport van “DGMR” van 6 juli 2001. Daarnaast hebben verweerders de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening” van 21 oktober 1998 (hierna: Handreiking) gehanteerd.

Uit het akoestisch rapport kunnen de geluidgrenswaarden voor de in dit rapport genoemde referentiepunten 12, 13 en 14 aan de Lijnbaanstraat worden afgeleid. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 1 en 2 van Bijlage I zijn de geluidgrenswaarden voor de in het akoestisch rapport genoemde referentiepunten 15, 16 en 17 aan de Hanso Mollstraat 1, 13 en 23 opgenomen. Uit het akoestisch rapport blijkt dat door vergunninghoudster ter plaatse van deze referentiepunten wordt voldaan aan de geldende zonegrens van 50 dB(A) per etmaalwaarde. Verder blijkt dat het op grond van de Handreiking aanbevolen maximale geluidniveau van 70 dB(A) niet wordt overschreden. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden ter voorkoming dan wel beperking van directe geluidhinder.

Ten aanzien van het aspect indirecte geluidhinder overweegt de Afdeling dat het verkeer van en naar een binnen een geluidszone gelegen inrichting, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, buiten beschouwing wordt gelaten bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Appellanten betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften inzake de brandveiligheid onvoldoende bescherming bieden. Zij stellen dat de inrichting vlakbij woningen is gesitueerd en dat branden in de inrichting waarschijnlijk zullen overslaan naar deze woningen.

2.4.1. Verweerders menen dat het bij de aanvraag gevoegde rapport inzake de brandveiligheid van “Schreuder ingenieurs/adviseurs” van 15 juni 2001 en de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden ter zake van de brandveiligheid. Verder wijzen zij in dit verband op de afstand van de inrichting tot de woonbebouwing en op de samenstelling van de opgeslagen producten op het opslagterrein van de inrichting.

2.4.2. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 1 tot en met 3 van Bijlage V zijn eisen gesteld met betrekking tot brandpreventie. Zo is onder meer bepaald dat vergunninghoudster een door de brandweer van de gemeente Sneek goedgekeurd brandbestrijdingsplan moet indienen. In dit brandbestrijdingsplan moeten de opmerkingen en aanbevelingen uit het bij de aanvraag gevoegde brandveiligheidsrapport van 15 juni 2001 worden verwerkt. In dit plan moeten in ieder geval de vluchtwegen, de brandwerende scheidingsconstructies en compartimentering en de aan te brengen brandmeldingsystemen, draagbare blusmiddelen en brandslanghaspels worden aangegeven.

Ter zitting hebben verweerders toegelicht, en dit is ook in de vergunning van 23 december 1997 vastgelegd, dat op het buitenterrein uitsluitend eindproducten, bestaande uit de kunststoffen polypropeen (PP) en polyetheen (PE), worden opgeslagen. Deze kunststoffen kenmerken zich door een zeer lage brandbaarheid en vatten derhalve geen vlam, maar smelten. De Afdeling komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vergunningaanvraag en de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden terzake van de brandveiligheid.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellanten voeren aan dat zij nadelige gevolgen ondervinden van het zware vrachtverkeer dat door hun straat rijdt. Volgens hen ontstaat hierdoor schade aan hun woningen en de rioleringen en is sprake van het verzakken van waterputten en gas- en waterleidingen.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.6. Appellanten voeren aan dat de aan- en afvoer van producten ten behoeve van de onderhavige inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties, aangezien het vrachtverkeer door smalle straten en een kinderrijke woonomgeving moet rijden.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat de verkeersveiligheid geen belang vormt dat in de Wet milieubeheer wordt geregeld. Indien de verkeersveiligheid in het geding is, kunnen maatregelen in het kader van de verkeerswetgeving worden getroffen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellanten betogen dat er, ondanks een parkeerverbod, regelmatig ’s avonds en ’s nachts vrachtwagens in de Lijnbaanstraat worden geparkeerd. Hierdoor kunnen bewoners hun woningen niet bereiken en kunnen hulpdiensten de straat niet passeren in het geval zich calamiteiten voordoen. Zij stellen dat verweerders niet optreden tegen deze overtreding van het parkeerverbod.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond van appellanten niet is gericht tegen het bestreden besluit als zodanig en derhalve niet kan leiden tot vernietiging van dit besluit.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

179-404.