Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200105184/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105184/2.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma “Rofra Sportieve Arrangementen V.O.F.”, gevestigd te Valkenswaard, en [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Valkenswaard,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2001, kenmerk WM 78/1999-II, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, voorzover deze betrekking heeft op het houden van 109 vleesvarkens, aan de [locatie]. De vergunning is geweigerd voorzover deze betrekking heeft op 11 vleesvarkens. Dit aangehechte besluit is op 7 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 oktober 2001, bij de Raad van State per fax ingekomen op 19 oktober 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is gehoord als partij vergunninghouder.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten richten zich tegen het bestreden besluit voorzover daarbij vergunning is verleend voor het houden van 109 vleesvarkens.

2.2. Appellanten betogen dat niet binnen de termijn van zes maanden op de aanvraag is beslist, waardoor de aanvraag geacht moet worden te zijn geweigerd.

2.2.1. Ingevolge artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neemt het bestuursorgaan het besluit op de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch – tenzij toepassing is gegeven aan artikel 3:29 van die wet - uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

2.2.2. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de in artikel 3:28 van de Awb gestelde termijn verstreken en hebben verweerders geen toepassing gegeven aan artikel 3:29 van deze wet. De overschrijding van de termijn uit artikel 3:28 van de Awb heeft echter geen gevolgen voor de bevoegdheid en de verplichting van verweerders om alsnog op de aanvraag te beslissen. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3. Appellanten stellen dat het ontwerp van het besluit in de vakantieperiode ter inzage is gelegd waardoor mogelijk belanghebbenden geen kennis hebben kunnen nemen van dit ontwerp.

2.3.1. Ingevolge artikel 3:22, eerste lid, van de Awb – voor zover relevant - kunnen gedurende vier weken vanaf de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, de stukken worden ingezien tijdens de werkuren.

2.3.2. Verweerders hebben het ontwerp van het besluit van 6 juli 2001 tot 3 augustus 2001 ter inzage gelegd. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:22, eerste lid, van de Awb. Voor de stelling dat het ontwerp van het besluit niet ter inzage mag worden gelegd in een vakantieperiode, biedt noch de Awb noch enig andere wettelijke regeling aanknopingspunten. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4. Appellanten betogen dat de aanvraag onvoldoende duidelijk is nu nauwelijks informatie wordt gegeven over de activiteiten en hoe deze worden uitgevoerd, niets wordt vermeld over toekomstige ontwikkelingen en uit de tekeningen niet valt af te leiden hoe en waar varkens worden gehouden.

Uit het aanvraagformulier en de daarbij behorende tekening blijkt voldoende voor welke dieren, op welke plaats en met welk stalsysteem vergunning wordt gevraagd. Verder is in de aanvraag vermeld wat volgens vergunninghouder relevante toekomstige ontwikkelingen zijn. De Afdeling is, anders dan appellanten betogen, van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellanten hebben bezwaren wat betreft ammoniak. Zij betogen dat de inrichting aan de Molenstraat 207 jarenlang niet in gebruik is geweest, zodat van legalisatie geen sprake kan zijn. Bovendien hebben verweerders volgens hen ten onrechte niet het geldende ammoniakreductieplan toegepast. Verder betogen appellanten dat het natuurgebied “Malpie” op een kortere afstand, zijnde 250 meter, van de inrichting is gelegen. De ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelig gebied is hierdoor hoger dan in het bestreden besluit is gesteld, aldus appellanten.

2.6.1. Verweerders stellen dat de inrichting reeds vóór 1 januari 1987 was gevestigd en zodoende voor legalisatie in aanmerking komt. Verder stellen zij dat de afstand van de inrichting ten opzichte van het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelig gebied op 400 meter van de inrichting is gelegen.

2.6.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Interimwet, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, geldt voor een veehouderij die is opgericht vóór 1 januari 1987, en waarvoor geen vergunning geldt -behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid - als waarde voor de ammoniakdepositie de door degene die de veehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie die de veehouderij veroorzaakte op een door hem aan te wijzen tijdstip in 1986. Indien deze waarde minder bedraagt dan 15 mol, geldt als waarde ten hoogste 15 mol.

2.6.3. Gelet op het doel en de strekking van de Interimwet, dient ervan te worden uitgegaan dat artikel 6 van de Interimwet slechts ziet op die situatie waarin een veehouderij waarvoor geen vergunning geldt, vóór 1 januari 1987 is opgericht en sindsdien is blijven voortbestaan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting aan de Molenstraat 207 niet onafgebroken in werking is geweest. Dat incidenteel en gedurende korte tijd geen dieren aanwezig zijn geweest, brengt nog niet automatisch mee dat de inrichting is beëindigd. Ook overigens is het voor de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat de inrichting sinds 1 januari 1987 is blijven voortbestaan. Verweerders mochten daarom artikel 6 (oud) van de Interimwet toepassen.

2.6.4. In het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ter plaatse geldende ammoniakreductieplan is vermeld dat het geen betrekking heeft op legalisatie. Daarmee wordt bedoeld legalisatie als bedoeld in artikel 6 (oud) van de Interimwet. Nu verweerders, zoals hierboven is overwogen, die bepaling mochten toepassen, hebben zij de aanvraag terecht niet aan het ammoniakreductieplan getoetst.

2.6.5. Wat betreft de hoogte van de ammoniakdepositie is niet gebleken dat het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelig gebied op een kortere afstand dan 400 meter van de inrichting is gelegen. Ook voor het overige is niet gebleken dat de afstandmeting ten opzichte van het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelig gebied onjuist is. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellanten betogen dat verweerders bij de beoordeling van de stankhinder ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat het dichtstbijgelegen stankgevoelig object moet worden ingedeeld in categorie III in plaats van categorie II . Verder stellen zij dat niet wordt voldaan aan de ingevolge de Richtlijn veehouderij en stankhinder (hierna: de Richtlijn) minimaal in acht te nemen afstand.

2.7.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn gehanteerd. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. Volgens de brochure is sprake van categorie II als in de directe omgeving van het bedrijf is/zijn gelegen: a) niet-agrarische bebouwing, geconcentreerd in lintbebouwing buiten de bebouwde kom, langs wegen, vaarten, dijken en dergelijke, b) meerdere verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen, of c) objecten voor dagrecreatie (zwembaden, speeltuinen, etcetera). Van categorie III is volgens de brochure sprake als in de directe omgeving van het bedrijf een enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied is gelegen.

Het vergunde veebestand van 109 mestvarkens is gelijk te stellen met 109 mestvarkeneenheden. Op grond van de afstandsgrafiek van de Richtlijn dient bij dit aantal een minimale afstand van 50 meter te worden aangehouden tot stankgevoelige objecten die tot categorie III behoren. Op 56 meter ligt de woning Molenstraat 203. De Afdeling is, anders dan appellanten betogen, van oordeel dat deze woning een categorie III-object is als bedoeld in de brochure. Nu aan de minimale afstand wordt voldaan, hebben verweerders zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat van onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting geen sprake is.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Weele

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

152-396.