Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200101314/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101314/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen,

2. de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg", gevestigd te Maastricht, en andere,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NS Railinfrabeheer B.V.", gevestigd te Utrecht,

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2001, kenmerk CD 5493 CC 11666, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan NS Railinfrabeheer B.V. regio Zuid verleend een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid van deze wet en een vergunning voor het veranderen van het spoorwegemplacement op het perceel Stationsplein 2, kadastraal bekend gemeente Sittard, sectie D, nummer 6355, sectie K, nummers 3032 en 3063, en sectie L, nummer 658, allen gedeeltelijk. Dit aangehechte besluit is op 1 maart 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 4 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2001, appellanten sub 2 bij brief van 10 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2001, appellante sub 3 bij brief van 11 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2001, en appellanten sub 4 bij brief van 11 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2001, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 april 2001. Appellanten sub 4 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door ing. R.J.M.M. Houben en

E.T.M. Vergoossen, beiden ambtenaar van de gemeente, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en

[gemachtigde], appellante sub 3, vertegenwoordigd door

mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigden],

appellanten sub 4, van wie [appellant] in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door I.L. van de Veen, W. Scheper, J.J.G. Janssen en

ing. A. Wensveen, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante sub 3 heeft de gronden inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften H.1.c en H.1.d niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 3 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellanten sub 1 hebben ter zitting de beroepsgrond over de zeggenschap van vergunninghoudster over vervoerders die van het emplacement gebruikmaken, ingetrokken.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten sub 2 en sub 4 kunnen zich niet verenigen met de vergunningvoorschriften H.1.a, H.1.b en H.2. Het beroep van appellanten sub 1 heeft betrekking op de voorschriften H.1.b en H.2. Volgens appellanten sub 1 en sub 2 zijn verweerders er bij de vaststelling van de equivalente geluidgrenswaarden ten onrechte van uitgegaan dat sprake is van een bestaande situatie. Appellante sub 3 stelt dat de in voorschrift H.1.b gestelde equivalente geluidgrenswaarden ten onrechte reeds na twee jaar gaan gelden, nu vanwege problemen met de financiering van geluidreducerende maatregelen onvoldoende duidelijk is wanneer aan deze geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Appellanten sub 1 stellen dat het aantal piekgeluiden moet worden teruggebracht op het niveau van de vergunning uit 1997. Appellanten sub 2 stellen dat verweerders onvoldoende hebben onderzocht of de overlast door piekgeluiden niet verder kan worden beperkt.

2.4.1. Ingevolge voorschrift H.1.a mag het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de activiteiten binnen de inrichting, zoals beschreven in zowel de aanvraag revisie- als de aanvraag veranderingsvergunning, tot uiterlijk twee jaar na het van kracht worden van deze vergunning, ter plaatse van een aantal immissiepunten niet meer bedragen dan in de tabel bij dit voorschrift is vermeld. De hoogste equivalente geluidgrenswaarden in deze tabel gelden ter plaatse van immissiepunt 41, te weten 56, 52 en 44 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift H.1.b mag het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de activiteiten binnen de inrichting, zoals beschreven in zowel de aanvraag revisie- als de aanvraag veranderingsvergunning, vanaf uiterlijk twee jaar na het van kracht worden van deze vergunning, ter plaatse van een aantal immissiepunten niet meer bedragen dan in de tabel bij dit voorschrift is vermeld. De hoogste equivalente geluidgrenswaarden in deze tabel gelden ter plaatse van immissiepunt 41, te weten 48, 47 en 40 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift H.2 mag het maximale geluidniveau (Lmax) veroorzaakt door de inrichting, gemeten in de meterstand "fast", ter plaatse van een aantal immissiepunten niet meer bedragen dan in de tabel bij dit voorschrift is vermeld. De hoogste piekgeluidgrenswaarden in deze tabel gelden ter plaatse van immissiepunt 41, te weten 81, 80 en 80 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.4.2. Verweerders hebben blijkens de stukken in voorschrift H.1.a de bestaande geluidbelasting van de inrichting vergund. Blijkens het verhandelde ter zitting hebben zij zich daarbij gebaseerd op de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door spoorwegemplacementen; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 januari 1998. In deze circulaire wordt voorgesteld om, als de grenswaarden uit de circulaire Industrielawaai pas op termijn haalbaar zijn, in de vergunning vooralsnog de bestaande geluidbelasting toe te staan, met dien verstande dat die maatregelen die met inachtneming van het ALARA-beginsel reeds direct kunnen worden genomen, wel meteen in de vergunningvoorschriften worden vastgelegd.

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een feitelijk al lang bestaande situatie. Nadat spoorwegemplacementen onder de vergunningplicht van de Wet milieubeheer zijn gebracht, diende de geluidbelasting van dergelijke inrichtingen, waarvoor in sommige gevallen voor onderdelen van de inrichting een milieuvergunning was verleend, te worden gesaneerd. Naar het oordeel van de Afdeling konden verweerders onder deze omstandigheden in redelijkheid kiezen voor een gefaseerde aanpak van de geluidbelasting van de inrichting door de bestaande geluidbelasting te vergunnen voor een overgangsperiode waarin de normen uit de circulaire Industrielawaai nog niet haalbaar zijn. Inzoverre verweerders wat dit betreft eerdergenoemde circulaire van 13 januari 1998 hebben gehanteerd, is dit naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het recht. Nu zij conform deze circulaire in de voorschriften maatregelen hebben vastgelegd die direct kunnen worden getroffen, zoals een snelheidsbeperking voor rangerende treinen en depotvoeding voor stilstaande diesellocomotieven, hebben verweerders zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift H.1.a voldoende bescherming biedt tegen geluidhinder. Het beroep van appellanten sub 4 is, voorzover gericht tegen dit voorschrift, ongegrond.

2.4.4. Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders bij het opstellen van voorschrift H.1.b hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna te noemen: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Zij zijn daarbij uitgegaan van een bestaande inrichting, ten aanzien waarvan een grenswaarde aan het equivalente geluidsniveau (LAeq) kan worden gesteld van maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde. In dit geval is in voorschrift H.1.b een maximale equivalente etmaalwaarde van 52 dB(A) opgenomen, te weten 47 dB(A) ter plaatse van immissiepunt 41 gedurende de nachtperiode. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet met vrucht worden gesteld dat verweerders, rekening houdend met de omstandigheid dat de inrichting tot voor kort vergund was en voorts feitelijk reeds lange tijd op de huidige plaats aanwezig is, de inrichting bij de hantering van de Handreiking op dit punt niet mochten behandelen als ging het om een bestaande inrichting. Verweerders hebben zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift H.1.b voldoende bescherming biedt tegen geluidhinder. De beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 4 treffen in zoverre geen doel.

2.4.5. Voorzover appellante sub 3 heeft gesteld dat de termijn in voorschrift H.1.b van twee jaar te kort is om aan de in dat voorschrift gestelde equivalente geluidgrenswaarden te kunnen voldoen, overweegt de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak dat is uitgebracht in het kader van de voorlopige- voorzieningsprocedure (hierna te noemen: het deskundigenbericht), dat deze termijn voldoende moet worden geacht om maatregelen die in de experimentele fase beschikbaar zijn en reeds langere tijd worden getest, toe te passen op de onderhavige inrichting. Verweerders hebben zich bij het opstellen van dit voorschrift terecht laten leiden door het ALARA-beginsel en niet door de mogelijke problemen van vergunninghoudster om de vereiste maatregelen te financieren. Als vergunninghoudster de vereiste maatregelen door financiële problemen niet op tijd kan nemen, zal zij de activiteiten op het emplacement zodanig moeten wijzigen dat toch aan de in voorschrift H.1.b gestelde equivalente geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het beroep van appellante sub 3 treft op dit punt geen doel.

2.4.6. Wat de in voorschrift H.2 gestelde piekgeluidgrenswaarden betreft overweegt de Afdeling dat deze waarden, met name die in de nacht, zeer aanzienlijk afwijken van de piekgeluidgrenswaarden zoals die onder meer in de circulaire Industrielawaai en de Handreiking industrielawaai als nog aanvaardbaar worden aangemerkt, te weten 70, 65 en 60 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode; verweerders hebben niet aangegeven welk beoordelingskader zij hebben gehanteerd bij de vaststelling van de piekgeluidgrenswaarden. Aangenomen moet worden dat de toegestane piekgeluiden in de nacht, variërend van 71 tot wel 80 dB(A) bij immissiepunt 41 (een niet van geluidisolatie voorziene woning aan de Parallelweg 2a), aanleiding geven tot slaapstoornissen en schrikreacties. De in voorschrift H.2 gestelde piekgeluidgrenswaarden zijn niet aan een termijn gebonden, na afloop waarvan lagere piekgeluidgrenswaarden gaan gelden. Verweerders hebben als motivering voor dergelijke piekgeluidgrenswaarden enkel gewezen op de omstandigheden dat het hier een bestaand emplacement betreft, dat de betreffende piekniveaus inherent zijn aan een emplacement en dat deze vooralsnog met ALARA-maatregelen niet zijn te verlagen. De Afdeling acht dit, gelet op de hoogte van de gestelde piekgeluidgrenswaarden en de omstandigheid dat die waarden niet aan een termijn zijn gebonden, geen deugdelijke motivering voor het stellen van dergelijke grenswaarden. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. De beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 4 zijn op dit punt gegrond.

2.5. Appellanten sub 1 en sub 2 stellen dat ten onrechte voorschriften ontbreken waarin het bedrijfsproces precies is vastgelegd, zodat naleving van de geluidvoorschriften controleerbaar wordt.

2.5.1. Verweerders stellen dat de naleving van de geluidvoorschriften voldoende controleerbaar is, nu de gegevens uit het rangeerplan en de feitelijke afwijkingen daarvan kunnen worden gebruikt om de feitelijke geluidbelasting te berekenen door deze gegevens in te voeren in de gebruikte geluidmodellen.

2.5.2. Ingevolge voorschrift A.9 moeten het rangeerplan en de afwijkingen daarvan te allen tijde voor het bevoegd gezag direct opvraagbaar zijn bij de vergunninghouder en dient vergunninghouder desgevraagd aan het bevoegd gezag inzicht te verschaffen in de feitelijk gerealiseerde rangeeractiviteiten.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht is opgemerkt dat controle van de geluidsgrenswaarden weliswaar complex, tijdrovend en bewerkelijk is, maar dat de vergunning desondanks voldoende aanknopingspunten op dit punt biedt. Mede gelet op voorschrift A.9 ziet de Afdeling geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn in zoverre ongegrond.

2.6. Appellanten sub 1 en 2 hebben gesteld dat in de vergunning ten onrechte niet is bepaald dat de norm voor het groepsrisico niet mag worden overschreden.

2.6.1. Ingevolge voorschrift G.27 mag het door de activiteiten binnen de inrichting veroorzaakte groepsrisico niet meer bedragen dan is aangegeven door de lijn voor het groepsrisico die samenvalt met de oriënterende waarde, en voorzover de fN-curve de oriënterende waarde overschrijdt, de buitenste begrenzing van de fN-curve, een en ander zoals weergegeven in figuur 10a op blad 24 van het rapport "Risicoberekeningen Emplacement Sittard", uitgevoerd door bureau SAVE (opgenomen in bijlage 3 van de revisievergunningaanvraag).

2.6.2. Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders bij de beoordeling van het aspect externe veiligheid de nota “Omgaan met risico’s” en de circulaire “Risicobenadering voor NS-goederenemplacementen” tot uitgangspunt genomen.

Verweerders achten de overschrijding van de waarde van het groepsrisico, zoals aangegeven in het bij de aanvraag gevoegde rapport “Risicoberekeningen Emplacement Sittard”, aanvaardbaar. Daarbij hebben zij overwogen dat de norm voor het groepsrisico een oriënterend karakter heeft en dat het groepsrisico aanzienlijk is verminderd ten opzichte van de situatie in 1997. Zij hebben daarbij voorts in aanmerking genomen de inspanningsverplichting die in het kader van PAGE (Plan van Aanpak Goederen spoorweg Emplacementen en baanvakken) op vergunninghoudster rust om het groepsrisico uiterlijk in 2010 terug te brengen tot onder de oriënterende waarde, alsmede het belang van het goederenvervoer per spoor. Verweerders hebben er verder op gewezen dat geen sprake is van een toename van het aantal rangeerhandelingen met gevaarlijke stoffen ten opzichte van de in 1997 vergunde situatie.

Gelet op de bovenstaande motivering hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten de in de aanvraag aangegeven overschrijding van de oriënterende waarde toe te staan. Hieraan doet niet af dat recente gegevens over het aantal in 2001 behandelde wagons met gevaarlijke stoffen een nieuw licht werpen op de omvang van het groepsrisico zoals dat in de aanvraag is weergegeven. Deze recente gegevens waren ten tijde van het bestreden besluit nog niet bekend, zodat verweerders op dit punt mochten uitgaan van de aanvraag. Deze gegevens kunnen voor het bevoegd gezag wel aanleiding zijn de vergunning in de toekomst aan te passen. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn op dit punt ongegrond.

2.7. Appellanten sub 1 en sub 2 stellen dat in de aanvraag ten onrechte geen enkele indicatie is gegeven van de omvang van het rangeren van ‘overige gevaarlijke stoffen’ en dat deze activiteit ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling van de externe veiligheid. Het rangeren van ‘overige gevaarlijke stoffen’ zou naar hun mening moeten worden verboden.

2.7.1. Ten aanzien van de ‘overige gevaarlijke stoffen’, zoals munitie, explosieven en radio-actieve stoffen, hebben verweerders verwezen naar de circulaire “Risicobenadering voor NS-goederenemplacementen”, waarin is vermeld dat de wijze en omvang van het transport van deze stoffen geen aanleiding geeft om hieraan bijzondere aandacht te schenken in het kader van het externe veiligheidsbeleid. Volgens verweerders is op vervoershandelingen met deze stoffen primair de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing. Omdat in de inrichting geen andere handelingen worden verricht dan die vallen onder voornoemde regelgeving is volgens verweerders het voldoen aan deze wet en aanverwante regelgeving voldoende.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de daarop gebaseerde regels voorwaarden stellen aan het vervoer van gevaarlijke stoffen, uiteraard niet met zich brengt dat aan dergelijk vervoer geen risico's zijn verbonden. Rangeerhandelingen met dergelijke stoffen zouden derhalve in beginsel moeten worden betrokken in een risicoanalyse. Uit de aanvraag blijkt evenwel dat voor het inschatten van de hieraan verbonden risico's geen instrumenten voorhanden zijn. De Afdeling heeft, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen grond te veronderstellen dat dit onjuist zou zijn. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling het niet in strijd met het recht dat verweerders wat dit aspect betreft de circulaire “Risicobenadering voor

NS-goederenemplacementen” hebben gehanteerd. Het beroep van appellanten sub 1 en sub 2 kan op dit punt niet slagen.

2.8. Appellante sub 3 heeft bezwaar tegen de in voorschrift G.31 gestelde termijn van zes maanden, waarbinnen zij de resultaten van het uit te voeren onderzoek aan het bevoegd gezag dient te rapporteren. Zij heeft aangevoerd dat het onmogelijk is een risicosaneringsonderzoek binnen zes maanden af te ronden en dat het bovendien niet efficiënt is om los van het in 1998 gepresenteerde Plan van Aanpak Goederenemplacementen en baanvakken (PAGE) een afzonderlijk onderzoek voor te schrijven.

2.8.1. Ingevolge voorschrift G.31 dient vergunninghouder een onderzoek uit te voeren naar de mogelijk in de bestaande situatie te treffen maatregelen gericht op het verder reduceren van het individueel risico en het groepsrisico tot minimaal de oriënterende waarde. De resultaten van dit onderzoek dienen binnen zes maanden na het van kracht worden van deze vergunning aan het bevoegd gezag te worden gerapporteerd. In de rapportage dient een planning te zijn opgenomen met betrekking tot de realisatie van de maatregelen.

2.8.2. De Afdeling overweegt, mede gelet op het deskundigenbericht, dat niet kan worden gezegd dat de in voorschrift G.31 gestelde termijn van zes maanden na het van kracht worden van de vergunning dusdanig kort is dat verweerders die termijn niet hadden mogen opnemen in dat voorschrift. Het moet mogelijk worden geacht om binnen die termijn een risicosaneringsonderzoek af te ronden. De Afdeling wordt in dit oordeel gesterkt door de uitlatingen van appellante sub 3 ter zitting, inhoudende dat zij van oordeel is dat zij met het aan het bevoegd gezag overleggen van een rapport van Arcadis (tijdig) heeft voldaan aan voorschrift G.31. De omstandigheid dat appellante sub 3 binnen de genoemde termijn de financiering van eventuele maatregelen niet rond kan krijgen, doet niet af aan de mogelijkheid om binnen de termijn alvast een planning met betrekking tot de realisatie van de maatregelen over te leggen. Het beroep van appellante sub 3 kan in zoverre derhalve niet slagen.

2.9. Appellanten sub 2 hebben gesteld dat voorschrift G.30 globaal en vrijblijvend is en dat dit voorschrift het toepassen van sancties vanwege overschrijding van de risicogrenzen vrijwel onmogelijk maakt.

2.9.1. De Afdeling overweegt dat aan het individuele risico en het groepsrisico grenswaarden zijn gesteld in de voorschriften G.26 en G.27. Bij overschrijding van deze grenswaarden kan het bevoegd gezag handhavend optreden. Voorschrift G.30, waarin de verplichting is opgenomen om bij overschrijding van de gestelde risicogrenzen aan te geven wat de oorzaak daarvan is en wat wordt gedaan om herhaling te voorkomen, staat daaraan niet in de weg; het heeft veeleer een aanvullend karakter. Het beroep van appellanten sub 2 treft op dit punt geen doel.

2.10. De Afdeling overweegt dat hetgeen appellanten sub 4 hebben gesteld, te weten dat verweerders onvoldoende rekening hebben gehouden met hun veiligheid, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding geeft het besluit geheel of gedeeltelijk te vernietigen.

2.11. Appellanten sub 2 stellen dat de vergunning geweigerd moet worden, zolang vergunninghoudster vervoerders niet kan verbieden om van het emplacement gebruik te maken.

2.11.1. De Afdeling overweegt dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting blijkt dat vergunninghoudster weliswaar niet kan bepalen welke vervoerders van het emplacement gebruik maken, maar dat zij als beheerster van het emplacement van gebruikers kan verlangen dat zij de vergunningvoorschriften niet overtreden. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in voorschrift A.6, waarin onder meer is bepaald dat aan in de inrichting werkzame personen (zo nodig schriftelijk) instructies moeten worden gegeven om handelen in strijd met de vergunningvoorschriften tegen te gaan en dat er toezicht moet worden gehouden op het naleven van die instructies. Daarom moet worden geoordeeld dat vergunninghoudster het wel in haar macht heeft te bewerkstelligen dat de vergunningvoorschriften niet worden overtreden en dat zij derhalve ook op naleving van die voorschriften kan worden aangesproken. Het beroep van appellanten sub 2 treft op dit punt geen doel.

2.12. De beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 4 zijn gedeeltelijk gegrond. Het beroep van appellante sub 3 is, voorzover ontvankelijk, ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het vergunningvoorschrift H.2 betreft. Burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen dienen, nu zij inmiddels bevoegd gezag zijn ten aanzien van het onderhavige emplacement, een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

2.13. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 3 niet-ontvankelijk voorzover het de voorschriften H.1.c en H.1.d betreft;

II. verklaart het beroep van appellante sub 3 voor het overige ongegrond;

III. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 4 gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 20 februari 2001, kenmerk CD 5493 CC 11666, voorzover het voorschrift H.2 betreft;

V. draagt burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 4 voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten sub 1, appellanten sub 2 en appellanten sub 4 in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot bedragen van onderscheidenlijk € 52,81, € 696,81 en € 52,81; de bedragen dienen door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten sub 1, sub 2 en sub 4 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 voor appellanten sub 1, € 204,20 voor appellanten sub 2 en € 102,10 voor appellanten sub 4) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

288.