Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200200462/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200462/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs,

appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 12 december 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

[verzoeker] te [woonplaats].

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2001 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) [vergunninghouder] onder oplegging van een dwangsom aangeschreven het strijdige gebruik van de schuur casu quo loods op het perceel [locatie] (hierna: de schuur) ten behoeve van bewoning en de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel, bestaande uit activiteiten als lassen, het plegen van onderhoud aan auto’s, opslag van olie en dergelijke en het stallen van een vrachtwagen, binnen zes weken na verzending van dit besluit te staken.

Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en vervolgens bepaald dat [vergunninghouder] het strijdige gebruik binnen zes weken na verzending van dit besluit dient te staken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 december 2001, verzonden op 13 december 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 23 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2002 heeft [vergunninghouder] een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door A.A. de Bruijn, en [vergunninghouder], in persoon, bijgestaan door mr. R. Visser, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Noordeindseweg” heeft het perceel de bestemming “agrarische doeleinden”. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden met de bestemming “agrarische doeleinden” ingevolge de bestemming worden gebruikt voor de uitoefening van agrarische bedrijven als omschreven in artikel 1, zesde lid. Ingevolge artikel 1, aanhef en zesde lid, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een onderneming waarin uitsluitend of overwegend gewassen en/of dieren worden geteeld respectievelijk gehouden, ter wille van de daarvan afkomstige stoffen of produkten.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend worden gebouwd niet voor bewoning bestemde agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die naar aard en omvang zijn afgestemd op het agrarisch bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend, alsmede ten hoogste één agrarische bedrijfswoning per bedrijf.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, is het verboden grond te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bij dit plan aan de grond gegeven (sub)bestemming, dan wel strijdig met deze voorschriften.

Ingevolge artikel 20 mogen gronden en gebouwen en andere bouwwerken, die bij het van kracht worden van het plan in gebruik zijn voor andere doeleinden dan waarvoor zij blijkens de (sub)bestemming dan wel deze voorschriften mogen worden gebruikt, voor deze doeleinden in gebruik blijven. Wijziging van dit met het plan strijdige gebruik is verboden, tenzij dit gebruik door wijziging niet verder gaat afwijken.

2.2. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting bestaan er naar het oordeel van de Afdeling voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant de schuur gebruikt voor bewoning. Daarbij wijst de Afdeling op de inhoud van de constateringsrapporten van 21 november 2000, 19 februari 2001 en 1 oktober 2001. De ter zitting overgelegde foto’s maken niet aannemelijk dat appellant zijn woonverblijf heeft op De Bonk 28 te Zevenhuizen, nu deze enkel het vermoeden lijken te bevestigen dat deze recreatiewoning ten tijde van de beslissing op bezwaar nog in aanbouw was en niet bewoond kon worden.

2.3. Niet in geschil is dat het gebruik van de schuur op het perceel voor bewoning niet met de bestemming “agrarische doeleinden” in overeenstemming is. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden. Een dergelijk bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

2.5. Burgemeester en wethouders betogen in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op de “Structuurvisie het Lint” (hierna: de structuurvisie), legalisatie van de bewoning van de schuur in het verschiet ligt. Dit betoog slaagt.

Naar het oordeel van de Afdeling kan de structuurvisie niet leiden tot legalisatie van het gebruik van de schuur als woning, nu deze geen concreet zicht daarop biedt. De structuurvisie geeft weer dat de meest gewenste ontwikkeling voor het betrokken perceel “werken met wonen” is. Zoals ter zitting is bevestigd geldt echter als uitgangspunt dat de huidige bestemming “agrarische doeleinden” gehandhaafd blijft. Slechts middels een in het bestemmingsplan op te nemen wijzigingsbevoegdheid kan deze bestemming “agrarische doeleinden” in een woonbestemming gewijzigd worden, waarbij dient te worden voldaan aan de aan die bevoegdheid te verbinden criteria. Dat onder voorwaarden een woning op het perceel mag worden gebouwd, houdt niet in dat legalisering van de bewoning van de schuur in het verschiet ligt. De president had derhalve niet uit de structuurvisie kunnen afleiden dat een concreet zicht op legalisering bestaat, daar gelaten dat, naar het zich laat aanzien, de bedrijfsactiviteiten van appellant ter plaatse zich niet voor toepassing van bedoelde

wijzigingsbevoegdheid lenen. Voorts was ten tijde van de beslissing op bezwaar geen (voor)ontwerp van een herziening van het bestemmingsplan opgesteld of een voorbereidingsbesluit genomen. Burgemeester en wethouders zijn bovendien niet bereid gebleken vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het bestreden gebruik.

Anderszins is evenmin gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhavend optreden tegen het gebruik van de schuur voor bewoning hadden moeten afzien.

De president heeft dit miskend.

2.6. Niet in geschil is dat [vergunninghouder] het perceel en de schuur op het perceel gebruikt ten behoeve van zijn transportbedrijf. Hieronder dient het gebruik van de schuur als kantoor en de stalling van een vrachtwagen begrepen te worden. Dit gebruik verdraagt zich niet met de bestemming “agrarische doeleinden”. Voorts is onvoldoende aannemelijk geworden dat [vergunninghouder] de ter plaatse opgeslagen bouwmaterialen uitsluitend voor privé-doeleinden gebruikt. Derhalve is ook dit gebruik van het perceel in strijd met de bestemming “agrarische doeleinden.

De president heeft dit miskend.

2.7. Blijkens de stukken werden het perceel en de loods op het perceel ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in 1984 gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen en machines ten behoeve van een aannemingsbedrijf. Bij brief van 7 november 1985 aan [partij] hebben burgemeester en wethouders toestemming verleend de schuur te gebruiken als opslagplaats voor aanhangwagens. Het gebruik ten behoeve van het aannemingsbedrijf is daarmee beëindigd. Uit de stukken is voorts gebleken dat [vergunninghouder] het perceel sinds 1987 huurt en in 1989 heeft gekocht. Ter zitting heeft [vergunninghouder] verklaard dat zijn aanvankelijke voornemen ter plaatse een hoveniersbedrijf te vestigen, niet kon worden gerealiseerd. Ter zitting heeft hij bevestigd dat de loods tussentijds een jaar heeft leeg gestaan. Het met het bestemmingsplan strijdige gebruik is derhalve niet voortgezet, maar in ieder geval gedurende een jaar onderbroken geweest. Daarenboven wordt geoordeeld dat het gebruik dat [vergunninghouder] thans maakt van het perceel en de schuur in vergelijking met het stallen van aanhangwagens een wijziging van het met de bestemming strijdige gebruik inhoudt die verder van de bestemming afwijkt en daarom in artikel 20 van de planvoorschriften is verboden. [vergunninghouder] komt daarom geen beroep op het overgangsrecht, als bedoeld in dit artikel, toe.

Burgemeester en wethouders waren derhalve tevens bevoegd handhavend op te treden tegen de met het bestemmingsplan strijdige ter plaatse uitgeoefende activiteiten.

2.8. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van dit handhavend optreden hadden behoren af te zien, is niet gebleken. De structuurvisie biedt, mede gelet op hetgeen hierboven ten aanzien daarvan is overwogen, onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat een concreet zicht bestaat op legalisering van de met de bestemming “agrarische doeleinden” strijdige bedrijfsactiviteiten. Uit de structuurvisie valt immers niet af te leiden dat de in geding zijnde bedrijfsactiviteiten voor legalisering in aanmerking komen. Voorts hebben burgemeester en wethouders in een brief van 16 november 1988 aan de toenmalige eigenaar, in verband met de voorgenomen verkoop van de schuur, uitdrukkelijk aangegeven dat de schuur slechts voor agrarische doeleinden als bedoeld in het geldende bestemmingsplan gebruikt mag worden. Niet is gebleken van enige toezegging van burgemeester en wethouders dat zij de opslag van bouwmaterialen en de met betrekking tot het transportbedrijf verrichte activiteiten ter plaatse toestaan. Ook overigens doen zich geen bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhaving hadden behoren af te zien.

Het betoog van burgemeester en wethouders, dat gericht is tegen de aangevallen uitspraak voorzover de president heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders niet tegen de bedrijfsactiviteiten mochten optreden, slaagt derhalve eveneens.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaren.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 12 december 2001, GEMWT 01/2396-BOS;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

58-224-378.