Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200201882/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2002-7173, 9 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2002/1074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201882/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van twee lichtreclames tegen de gevel van het pand op het perceel [locatie] (hierna: het pand).

Bij besluit van 28 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de vaste commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 4 maart 2002 , verzonden op 5 maart 2002, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2002, waar namens appellant mr. A.M. Plaizier, gemachtigde, is verschenen. Voorts zijn daar verschenen burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A. Hoogland, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 44 van de Woningwet is bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. (…);

c. (…);

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid (redelijke eisen van welstand), of

e. (…).

2.2. Vaststaat dat het bouwplan tweemaal voorwerp van bespreking is geweest bij de Stichting Welstandszorg Noord-Holland. Op 24 april 2001 en op 4 juli 2001 heeft deze welstandscommissie negatief geadviseerd ten aanzien van de ingediende aanvraag. Zij achtte de lichtreclames in strijd met redelijke eisen van welstand.

2.3. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders op de uitgebrachte welstandsadviezen hadden mogen afgaan, faalt. Gelijk de Afdeling in haar uitspraak van 11 januari 1996, H01.95.0439/Q01, Gst. 1997, 7055, 7, heeft overwogen, mag het bestuursorgaan, hoewel het niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Appellant heeft niet aangetoond dat de uitgebrachte adviezen naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen op grond waarvan burgemeester en wethouders die adviezen niet aan hun beslissing op bezwaar ten grondslag hadden mogen leggen. Appellant heeft verder niet met een deskundigenbericht onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk gemaakt, dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Anders dan namens appellant is betoogd, is blijkens het welstandsadvies wel degelijk aandacht besteed aan de (ontwikkelingen in de) omgeving waarin het pand gelegen is. Gelet hierop is de welstandscommissie dan ook van oordeel dat reclame terughoudend dient te zijn. Hierbij merkt de Afdeling nog op dat economische belangen bij de welstandstoets niet van betekenis kunnen zijn. Dat buurtbewoners en in de directe omgeving gevestigde winkeliers geen bezwaar hebben tegen de lichtreclames doet aan het voorgaande niet af.

2.4. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat appellant in de gelegenheid had moeten worden gesteld om het bouwplan aan te passen. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat als regel burgemeester en wethouders behoren te beslissen op een aanvraag om bouwvergunning zoals deze is ingediend. In beginsel zijn zij echter gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een aanvraag om bouwvergunning in de gelegenheid te stellen die aanvraag te wijzigen of aan te vullen. Daarvoor kan met name aanleiding bestaan indien door de wijziging of aanvulling geconstateerde beletselen voor het verlenen van een bouwvergunning kunnen worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard.

De rechtbank heeft evenwel op juiste gronden geoordeeld dat, gelet op de inhoud van de welstandsadviezen, niet kan worden gesproken van strijdigheid van ondergeschikte betekenis. Het betoog van appellant dat uit het feit dat de welstandscommissie heeft geadviseerd een aangepast plan te ontwikkelen, afgeleid kan worden dat het bouwplan slechts een geringe strijdigheid oplevert, treft geen doel. Door de welstandscommissie is slechts beoogd aanknopingspunten te bieden voor het ontwikkelen van een bouwplan waarmee aan redelijke eisen van welstand zou kunnen worden voldaan. Dat eventueel sprake is van relatief geringe wijzigingen van het bouwplan staat dan ook niet zonder meer vast.

2.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat burgemeester en wethouders de gevraagde bouwvergunning, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44 van de Woningwet, dienden te weigeren, gelijk zij bij de beslissing op bezwaar hebben gedaan.

2.6. Ook overigens kan hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot de conclusie leiden dat de rechtbank tot een onjuiste beslissing is gekomen. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

58-406.