Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200104201/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104201/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten],

alle gevestigd te [plaats],

en

burgemeester en wethouders van Hoorn,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2001, kenmerk 99/Wm/005, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellanten] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting waarin sprake is van metaalbewerking, poedercoating, een opslagmagazijn en een buitenopslag van gasflessen, gelegen op de [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 12 juli 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. L.A.A. van Wakeren en L.B.A. Herveille, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op een inrichting die is gelegen op een in 1991 gezoneerd industrieterrein. Deze inrichting omvat drie in elkaars nabijheid gelegen vestigingen voor metaalbewerking [locatie sub 1], poedercoating [locatie sub 2] en opslag van metaalwaren en gasflessen [locatie sub 3].

2.2. Appellante stelt dat de vergunningvoorschriften L.5 en L.6 een aantasting van bestaande rechten inhouden. Ten onrechte menen verweerders volgens haar dat het opnemen van de geluidgrenswaarden uit de milieuvergunning van 1986 leidt tot overschrijding van de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A) op de zonegrens. Voorts zou het geluidrapport van de gemeente waarin zou zijn aangetoond dat vergunninghoudster kan voldoen aan de in deze voorschriften opgenomen geluidgrenswaarden, onjuistheden bevatten en onvolledig zijn. Het stellen van piekgeluidgrenswaarden zou overbodig en onnodig beperkend zijn, nu het meetpunt MP1 zich niet ter plaatse van een woning of ander geluidgevoelig object bevindt, maar op de zonegrens.

2.2.1. Ingevolge voorschrift L.4 hebben de voorschriften L.5 en L.6 betrekking op het gedeelte van de inrichting gelegen op het perceel [locatie sub 1].

Ingevolge voorschrift L.5 mag het equivalente geluidniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de op de bij de vergunning behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening aangegeven meetpunt MP1 (Bijlage II) op 5 meter hoogte niet meer bedragen dan 47, 42 en 37 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift L.6 mogen de piekwaarden (Lmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de op de bij de vergunning behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening aangegeven meetpunt MP1 (Bijlage II) op 5 meter hoogte niet meer bedragen dan 20 dB(A) boven de getalswaarde van de in voorschrift L.5 genoemde geluidniveaus.

2.2.2. Verweerders stellen dat de inrichting wel in werking kan zijn met inachtneming van de in de voorschriften L.5 en L.6 genoemde geluidgrenswaarden. Uit het van de vergunning deel uitmakende geluidrapport zou blijken dat het geluidniveau ten gevolge van de inrichting ter plekke van meetpunt MP1 27,7, 27,1, en 20,4 dB(A) bedraagt gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. In de daaraan ten grondslag liggende berekeningen is volgens verweerders niet de afscherming door het kantoorgedeelte en de nabijgelegen inrichting van de firma Hoogland meegenomen, zodat het uiteindelijke immissieniveau aanzienlijk lager zal uitvallen dan de berekende waarde. Ook als de geluidemissie van de inrichting meer zou bedragen dan waarvan in het rapport is uitgegaan, achten verweerders een overschrijding van de opgelegde waarden niet aannemelijk. Voorts zijn ze van oordeel dat het in de vergunning opnemen van de geluidgrenswaarden uit de milieuvergunning van 1986 leidt tot overschrijding van de grenswaarde op de zonegrens.

2.2.3. Voorzover appellante stelt dat verweerders ten onrechte niet de geluidgrenswaarden uit de vergunning van 1986 hebben overgenomen, overweegt de Afdeling dat ingevolge voorschrift E.1 van de bij besluit van 15 april 1986 verleende oprichtingsvergunning voor het perceel [locatie sub 1] een equivalente etmaalwaarde van 55 dB(A) gold "nabij enige niet tot de inrichting behorende woning of pand waarin personen plegen te verblijven". Blijkens de considerans van het bestreden besluit was destijds de woning [woning] de meest belaste woning. Deze woning is gelegen buiten de zone rond het industrieterrein, waarop de inrichting is gelegen. Dit betekent derhalve dat de inrichting op basis van de vergunning uit 1986 op een punt buiten de zone een hogere geluidbelasting dan 50 dB(A) mocht veroorzaken, hetgeen met zich brengt dat de grenswaarde van 50 dB(A) op de zonegrens werd overschreden. Thans is de meest belaste woning de eveneens buiten de zone gelegen [woning]. Verweerders zouden in strijd met artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer handelen door aan de onderhavige vergunning het geluidvoorschrift uit de vergunning van 1986 te verbinden. Ingevolge genoemd artikellid dient het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag immers de op de zonegrens geldende grenswaarde in acht te nemen. Gelet hierop kan het beroep in zoverre niet slagen.

2.2.4. Voorzover appellante stelt dat de inrichting niet kan voldoen aan de in voorschrift L.5 gestelde equivalente geluidgrenswaarden, acht de Afdeling, gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak en het verhandelde ter zitting, genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de in dit voorschrift gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd, zonder dat daarvoor voorzieningen of maatregelen moeten worden getroffen die een verlating van de grondslag van de aanvraag zouden inhouden of die redelijkerwijs niet van vergunninghoudster zouden kunnen worden gevergd.

2.2.5. Met betrekking tot de in voorschrift L.6 opgenomen piekgeluidgrenswaarden overweegt de Afdeling dat het in dat voorschrift opgenomen meetpunt MP1 weliswaar niet ter plaatse van een woning of een ander geluidgevoelig object is gelegen, doch dat dit voorschrift indirect bescherming biedt aan de achter dat meetpunt gelegen woningen aan de [locatie]. De Wet geluidhinder staat er niet aan in de weg dat aan de milieuvergunning van een inrichting die op een gezoneerd industrieterrein is gelegen, een voorschrift wordt verbonden waarin piekgeluidgrenswaarden worden gesteld ten aanzien van de directe geluidhinder.

De Afdeling acht het voorts voldoende aannemelijk dat de opgelegde piekgeluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd, nu, gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, ter plaatse van meetpunt MP1 maximaal een piekwaarde van ongeveer 54 dB(A) zal optreden, terwijl in de nachtperiode piekwaarden van 57 dB(A) zijn toegestaan.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

288.