Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200105060/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingeval van bouwen onder peil moet, net als bij bouwen boven peil, ook worden voldaan aan de planvoorschriften omtrent de situering van erfbebouwing.

Verlenen bouwvergunning voor het oprichten van een woonhuis met berging. Het bouwplan bestaat uit drie gedeelten, t.w. een woongedeelte dat tegen de dijk is gelegen, een daarachter gelegen uitbouw en een naastgelegen aangebouwde bergruimte. Het perceel glooit vanaf de dijk geleidelijk omlaag. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestemmingsplan geen onderscheid maakt tussen bouwen boven peil en bouwen onder peil, zodat ook de berging, die is gelegen onder peil, dient te voldoen aan de voorschriften omtrent de situering van erfbebouwing. B&W betogen dat de planwetgever wèl heeft beoogd om dit onderscheid te maken. Volgens hen behoort uit de in artikel II.2 neergelegde meetvoorschriften, waarin is bepaald dat de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens en de bebouwde oppervlakte wordt gemeten 1 meter boven peil, te worden afgeleid dat ingeval van bouwen onder peil niet behoeft te worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de situering van erfbebouwing. Dit betoog faalt. Evenals de rechtbank ziet de ABRS geen grond voor het oordeel dat aan de voorschriften omtrent de situering van erfbebouwing niet voldaan hoeft te worden ingeval van bouwen onder peil. Noch in de bebouwingsvoorschriften noch in de toelichting daarop zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden. Dat volgens de meetvoorschriften in bepaalde gevallen 1 meter boven peil moet worden gemeten, leidt niet tot een ander oordeel. Aan bepalingen die geen bouwvoorschriften zijn, doch als meetvoorschriften regels geven omtrent de wijze van toepassing van dergelijke voorschriften en derhalve een onzelfstandig en ondersteunend karakter hebben, kan niet een zodanige uitleg worden gegeven, dat zij de (algemene) werking van de bouwvoorschriften beperken tot bepaalde gevallen, in casu tot bouwen boven peil.

Nu de berging niet op een afstand van tenminste 2 meter achter de voorgevelrooilijn wordt gebouwd, is het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel III.1, Lid B, onderdeel I, sub e, onder 2b van de planvoorschriften.

Burgemeester en wethouders van Albrandswaard, appellanten.

mrs. J.A.M. van Angeren, P.J.J. van Buuren, Ch.W. Mouton

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/548
OGR-Updates.nl 1000431
Ruimtelijk Bestuursrecht 2002/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105060/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Albrandswaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 30 augustus 2001 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2000 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het oprichten van een woonhuis met berging op het perceel [locatie].

Bij besluit van 5 december 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 30 augustus 2001, verzonden op 31 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 3 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 februari 2002 is namens [partij] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ambtenaar der gemeente, en [partij] in persoon, bijgestaan door mr. W. Visser, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan bestaat uit drie te onderscheiden gedeelten, te weten een woongedeelte dat tegen de Albrandswaardsedijk is gelegen, een daarachter gelegen uitbouw en een naastgelegen aangebouwde bergruimte. Het perceel glooit vanaf de dijk geleidelijk omlaag.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Poortugaal-Dorp” rust op de onderhavige gronden de bestemming “Woondoeleinden”, met ter plaatse van de woning en de uitbouw de nadere aanduiding vrijstaande woningen - W(v) -. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, met de daarbij behorende bouwwerken en erven.

Ingevolge artikel III.1, Lid B, onderdeel I, sub e, onder 2b, van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, situering van bebouwing op het perceelsgedeelte naast de woning toegestaan, indien een aangebouwd bijgebouw en/of een uitbreiding van de woonruimte (aan- of uitbouwen) wordt opgericht op een afstand van ten minste 2 m achter de (lijn die kan worden getrokken in het verlengde van de) voorgevel van de woning.

2.3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestemmingsplan “Poortugaal-Dorp” geen onderscheid maakt tussen bouwen boven peil en bouwen onder peil, zodat ook de berging, die is gelegen onder peil, dient te voldoen aan de voorschriften omtrent de situering van erfbebouwing. Burgemeester en wethouders betogen dat de planwetgever wèl heeft beoogd om een onderscheid te maken tussen bouwen boven peil en bouwen onder peil. Volgens hen behoort uit de in artikel II.2 neergelegde meetvoorschriften, waarin is bepaald dat de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens en de bebouwde oppervlakte wordt gemeten 1 meter boven peil, te worden afgeleid dat ingeval van bouwen onder peil niet behoeft te worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de situering van erfbebouwing.

2.4. Dit betoog faalt. Evenals de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat aan de voorschriften omtrent de situering van erfbebouwing niet voldaan hoeft te worden ingeval van bouwen onder peil. Noch in de bebouwingsvoorschriften noch in de toelichting daarop zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden. Dat volgens de meetvoorschriften in bepaalde gevallen 1 meter boven peil moet worden gemeten, leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Aan bepalingen die geen bouwvoorschriften zijn, doch als meetvoorschriften regels geven omtrent de wijze van toepassing van dergelijke voorschriften en derhalve een onzelfstandig en ondersteunend karakter hebben, kan niet een zodanige uitleg worden gegeven, dat zij de (algemene) werking van de bouwvoorschriften beperken tot bepaalde gevallen, in casu tot bouwen boven peil. Dit betekent dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen bouwen onder en boven peil. Gelet hierop kan in het midden blijven of burgemeester en wethouders, en in navolging daarvan de rechtbank, zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de berging onder peil is gelegen.

2.5. Nu de berging niet op een afstand van tenminste 2 meter achter de voorgevelrooilijn wordt gebouwd, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel III.1, Lid B, onderdeel I, sub e, onder 2b van de planvoorschriften.

2.6. Het subsidiaire betoog van burgemeester en wethouders dat de berging kan worden gerealiseerd met toepassing van het overgangsrecht faalt eveneens. Dat gebruik zal worden gemaakt van (een gedeelte van) de fundering en de zijwand van de voorheen op het perceel aanwezige schuur, doet er niet aan af dat er, gelet ook op de bouwtekeningen, onmiskenbaar sprake is van algehele verandering en vernieuwing. Het overgangsrecht kan reeds daarom geen toepassing vinden.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

27-369.