Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
200200458/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200458/1.

Datum uitspraak: 18 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "TRS Ontwikkelingsgroep B.V.", gevestigd te Rotterdam, en andere,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Ouderkerk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2001, kenmerk 092/2001, hebben verweerders een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting [vergunninghouder], gelegen aan de [locatie], afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 11 december 2001, verzonden op 14 december 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Houtprodukten Heuvelman BV". Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en ir. L.H.M. Arpeau, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en B. Kroon en M.J.H. Kijzers, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 12 juli 1994 is vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor de opslag en machinale bewerking van hout- en bouwproducten op het perceel [locatie]. Bij brief van 11 april 2001 hebben appellanten verweerders verzocht handhavend op te treden tegen overtreding van de aan deze vergunning verbonden geluidvoorschriften.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het door appellanten ingediende bezwaar tegen de afwijzing van dit verzoek ongegrond verklaard, omdat de inmiddels bij besluit van 26 juni 2001 verleende revisievergunning, met uitzondering van het door de Voorzitter geschorste voorschrift 2.5, in werking was getreden. Op grond van deze vergunning zijn volgens verweerders de voorheen illegale activiteiten (overtreding van de geluidvoorschriften van de vergunning van 1994) vergund. Met betrekking tot de in voorschrift 2.5 geregelde materie, te weten een afwijking van de aanbevolen maximale grenswaarde voor het geluidniveau (Lmax) gedurende de nachtperiode met betrekking tot een tweetal woningen ten behoeve van vrachtverkeer in de nachtperiode, hebben verweerders evenmin aanleiding gezien handhavend op te treden, omdat bij periodieke controles geen overtredingen zijn geconstateerd.

2.2. Appellanten stellen dat de revisievergunning van 26 juni 2001 weliswaar in werking is getreden, maar dat het oordeel van de Voorzitter een voorlopig karakter heeft en zij ervan overtuigd zijn dat de revisievergunning in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Voorts wijzen zij erop dat voorschrift 2.5 van de revisievergunning is geschorst, zodat verweerders in ieder geval met betrekking tot dat aspect over hadden moeten gaan tot handhaving. Appellanten zijn tot slot van oordeel dat verweerders een onjuiste belangenafweging hebben verricht. Volgens hen hadden verweerders moeten bezien of zich hier niet bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het zwaarwegende belang dat is gediend met de handhaving van wettelijke voorschriften, in dit geval de doorslag diende te geven.

2.2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.2.2. Bij uitspraak van 18 oktober 2001 heeft de Voorzitter voorschrift 2.5 van de revisievergunning van 26 juni 2001 geschorst en de verzoeken om voorlopige voorziening met betrekking tot dit besluit voor het overige afgewezen. Hierdoor gold op het moment van het nemen van het bestreden besluit, behoudens de uitzondering van voorschrift 2.5, de revisievergunning van 26 juni 2001, waardoor de overtredingen van de geluidvoorschriften van de vergunning van 1994 die tot dan toe plaatsvonden, inmiddels waren gelegaliseerd. Verweerders waren ten tijde van het bestreden besluit in zoverre derhalve niet meer bevoegd om handhavend op te treden. Een eventuele vernietiging van de revisievergunning in een later stadium kan daaraan niet afdoen, nu het bestreden besluit ex-tunc dient te worden beoordeeld.

Met betrekking tot vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode overweegt de Afdeling dat deze ten tijde van het bestreden besluit, gelet op voorschrift 2.3 van de genoemde revisievergunning alsmede gelet op het geschorste voorschrift 2.5, niet waren toegestaan. Uit controles is evenwel niet gebleken dat overtreding van dit verbod heeft plaatsgevonden. Verweerders waren derhalve niet bevoegd om ter zake met bestuurlijke handhavingsmiddelen op te treden. Derhalve hebben zij het bezwaar tegen de weigering om te handhaven ook in zoverre terecht ongegrond verklaard.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

288.