Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
200202965/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200202965/1.

Datum uitspraak: 23 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2002 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 mei 2002, verzonden op 29 mei 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Uit artikel 55, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), opgenomen in hoofdstuk 4 van die wet, volgt, dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f, zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning beschikbaar dient te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen.

2.2. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat, nu van de mogelijkheid van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 55, eerste lid, van de Vw 2000 geen gebruik is gemaakt, die maatregel onaantastbaar is geworden en niet meer aan de orde kan worden gesteld in het kader van het beroep tegen de inbewaringstelling. Hij is rechtstreeks vanuit de situatie dat hem een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd in vreemdelingenbewaring gesteld, zonder dat er sprake is geweest van een staandehouding of ophouding. In een dergelijk geval – aldus appellant - dient het mogelijk te zijn om de rechtmatigheid van de eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel te toetsen.

2.3. De grief van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de aanwijzingen als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Vw 2000. Ingevolge het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van die wet staat tegen het oordeel van de rechtbank over zulke aanwijzingen evenwel geen hoger beroep open. De grief kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Alkema w.g. Glerum

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2002

241-382.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,