Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
200202946/1 en 200202943/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200202946/1 en 200202943/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [vreemdeling 1],

2. [vreemdeling 2],

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 21 mei 2002 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 3 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van appellanten om hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraken van 21 mei 2002, verzonden op 24 mei 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: rechtbank), de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 31 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 10 juni 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 3 juli 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door C.A. Buschman, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In grieven I tot en met V, in onderlinge samenhang bezien, betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvragen weliswaar met toepassing van artikel 3.117, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zijn afgewezen, doch dat dit niet binnen 48 proces-uren is gebeurd.

2.1.1. Ter zitting heeft de staatssecretaris verklaard dat de tijdstippen van aanvang en einde van de aanmeldcentrum-procedure door de vreemdelingendienst worden vastgesteld aan de hand van de tijd weergegeven op de telefoontoestellen in het aanmeldcentrum, die centraal aangestuurd worden door de KPN. Blijkens de ACLIS-overzichten zijn de onderzoeken naar de aanvragen met inachtneming van deze tijd aangevangen op 29 april 2002 om 21.00 uur. Op de zogeheten stamkaarten uit het Decentraal Vreemdelingen Administratie Systeem, waarop diverse gegevens over appellanten zijn ingevuld, staan evenwel de tijdstippen 20.55.54 uur respectievelijk 21.05.44 uur vermeld. Deze vermelding dient niet om de aanvang van het onderzoek aan te geven. De staatssecretaris heeft voorts medegedeeld geen duidelijkheid te kunnen geven over de vraag of, zoals appellanten betogen, in dit geval de onderzoeken naar de aanvragen vóór 21.00 uur reeds zijn aangevangen en derhalve evenmin of de aanvragen binnen 48 proces-uren zijn afgewezen. Derhalve komen de hoger beroepen, voorzover daarbij is betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvragen binnen 48 proces-uren zijn afgewezen, in aanmerking om gegrond te worden verklaard en de aangevallen uitspraken en de besluiten van 3 mei 2002 om te worden vernietigd, aldus de staatssecretaris.

2.1.2. Het voornemen van de staatssecretaris om een aanvraag binnen het aanmeldcentrum af te wijzen, brengt diens verantwoordelijkheid met zich voor het op een uniforme en inzichtelijke wijze vastleggen van de tijdstippen waarop de verschillende handelingen in het aanmeldcentrum worden verricht, waartoe het ACLIS-overzicht zich aandient. Niet langer is in geschil dat hieraan in dit geval niet is voldaan, zodat niet duidelijk is wanneer de onderzoeken naar de aanvragen zijn aangevangen en niet is komen vast te staan dat de aanvragen binnen 48 proces-uren zijn afgewezen.

De grieven treffen derhalve doel.

2.2. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd. De overige tegen die uitspraken aangevoerde grieven behoeven geen bespreking.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van de staatssecretaris van 3 mei 2002 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen wegens schending van artikel 3.111, eerste lid en artikel 3.115, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

2.3. De staatssecretaris heeft de Afdeling ter zitting verzocht om met toepassing van de bevoegdheid voorzien in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand te laten.

2.3.1. Voor toepassing van die bepaling is slechts plaats indien na vernietiging van een besluit nog slechts één besluit rechtens mogelijk is en wel dat, waartoe het vernietigde besluit strekt.

2.3.2. In de besluiten heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van appellanten niet tot het oordeel leiden dat zij in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de in artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) genoemde gronden.

Gelet op de gronden die de staatssecretaris aan de toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 ten grondslag heeft gelegd, bezien in het licht van hetgeen door appellanten tijdens de behandeling van de aanvragen naar voren is gebracht en mede in aanmerking genomen dat zij zowel bij de rechtbank als in hoger beroep op inhoudelijke gronden de besluiten gemotiveerd hebben bestreden, staat niet op voorhand vast dat nog slechts één besluit rechtens mogelijk is, zodat de Afdeling geen termen aanwezig acht toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 21 mei 2002 in zaak nrs. AWB 02/34344 en AWB 02/34362;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de Staatssecretaris van Justitie van 3 mei 2002, kenmerk 0204.29.8027 en 0204.29.8030;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van de zaaknummers).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2002

15-385.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,