Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7508

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200202830/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/298

Uitspraak

Raad

van State

200202830/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdelinge],

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar, van 17 mei 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een derde aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 mei 2002, verzonden op 22 mei 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 juni 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, tweede lid, onder c, van de Wet op de Raad van State, kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.2. De grieven VII tot en met XV zijn gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar dat is gemaakt tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning regulier. De Afdeling is in zoverre niet bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

2.3. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.4. Het toetsingskader voor de rechter in deze wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door appellante ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of de staatssecretaris zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat zich na de eerdere in rechte onaantastbare besluiten, waarbij appellante een verblijfsvergunning asiel is geweigerd, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.5. Grief I klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat appellante niet kan worden aangemerkt als vluchteling en zij bij uitzetting naar de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) geen reëel risico loopt op een behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Grief II klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij de tweede aanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, zijn gesteld.

2.5.1. Deze grieven falen, aangezien de besluiten, waarbij afwijzend op de eerdere aanvragen van appellante om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beslist in rechte onaantastbaar zijn geworden bij uitspraken van de Afdeling van onderscheidenlijk 28 december 2001 in zaak nr. 200105346/1 en 1 maart 2002 in zaak nr. 200201168/1. Met het instellen van het onderhavige beroep kan niet worden bereikt dat stellingen die in de eerste dan wel de tweede asielprocedure zijn of hadden kunnen worden voorgedragen, opnieuw of alsnog worden beoordeeld. Het betoog van appellante dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in de tweede asielprocedure ten onrechte niet is meegewogen dat voor Tutsi’s afkomstig uit de DRC een categoriaal beschermingsbeleid geldt, mist feitelijke grondslag, gelet op hetgeen in het besluit op de tweede aanvraag daaromtrent is overwogen.

2.5.2. Voor zover appellante in grief II voorts beoogt te betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat een strikte toepassing van artikel 4:6 van de Awb tot gevolg kan hebben dat de beoordeling van een herhaalde aanvraag in strijd komt met het verbod van artikel 3 van het EVRM, overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft gedaan (uitspraak van 5 maart 2002, zaak no. 200200237/1, gepubliceerd in JV 2002/125, NAV 2002/129 en AB 2002, 169) dat in de regel moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedure-regels, welke er toe strekken de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen.

2.5.3. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee zou kunnen worden geoordeeld dat het bepaalde bij artikel 4:6 van de Awb niet aan appellante mag worden tegengeworpen. Haar situatie is niet vergelijkbaar met die in de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 juli 2000 in de zaak Jabari tegen Turkije, gepubliceerd in JV 2000/240 en RV 2000, 2, zodat het beroep van appellante op die uitspraak reeds hierom niet opgaat.

2.5.4. Haar verdere betoog dat de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2002 niet strookt met de lijn van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bahaddar tegen Nederland richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak en levert mitsdien geen grief op. Het aldus aangevoerde kan derhalve evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.6. In de grieven III tot en met V beoogt appellante kennelijk te betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de in de derde asielprocedure overgelegde contra-expertise ter zake van het leeftijdsonderzoek moet worden beschouwd als een nieuw gebleken feit, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Omdat uit de contra-expertise blijkt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij manifest bedrog heeft gepleegd met betrekking tot haar leeftijd, kunnen de eerdere besluiten niet in stand blijven, aldus appellante.

2.6.1. Deze grieven falen. Zij miskennen dat de afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag, anders dan appellante stelt, niet uitsluitend is gebaseerd op de ongeloofwaardigheid van haar verklaringen over haar leeftijd, doch op een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas in zijn geheel. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de uitkomst van de contra-expertise geen grond oplevert voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat die geen aanleiding vormde van de eerdere weigering van een verblijfsvergunning asiel terug te komen.

2.7. Appellante heeft in grief VI betoogd dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek de bij het in opdracht van de staatssecretaris verrichte leeftijdsonderzoek betrokken radiologen als getuigen op te roepen. Volgens appellante heeft de voorzieningenrechter door ook op het beroep te beslissen de mogelijkheid de radiologen als getuigen te horen illusoir gemaakt.

2.7.1. Deze grief faalt, reeds omdat de voorzieningenrechter uitsluitend op het beroep inzake de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft beslist, zonder toepassing te geven aan artikel 78 van de Vw 2000, zodat de staatssecretaris nog een besluit dient te nemen op het tegen de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gemaakte bezwaar.

2.8. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen, in zoverre dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover op het beroep is beslist.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2002

32-319.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,