Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200201527/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/322
JOM 2006/774
JBO 2005/367
BR 2003/7
M en R 2003, 8
Module Ruimtelijke ordening 2002/607
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201527/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Uitvoering Bodemsanering Amovering Tankstations", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij de besluiten van 23 april 2001, kenmerk 449457 FR/066/024, 23 april 2001, kenmerk 449459 FR/061/072 en 11 mei 2001, kenmerk 450928, hebben verweerders hun oorspronkelijke besluiten tot goedkeuring van de saneringsplannen voor de gevallen van bodemverontreiniging aan respectievelijk de [locatie] te [plaats], [locatie] te [plaats] en de [locatie] te [plaats] herzien. Verweerders hebben het oorspronkelijke saneringsplan in samenhang met het evaluatierapport van de inmiddels uitgevoerde saneringen als een nieuwe melding en een nieuw saneringsplan beschouwd. In de besluiten wordt, achteraf, ingestemd met de door appellante uitgevoerde saneringen waarbij in tegenstelling tot de oorspronkelijke saneringsplannen een restverontreiniging achterblijft. Voor deze restverontreinigingen worden controle en nazorgsmaatregelen opgelegd.

Bij besluit van 4 februari 2002, kenmerk 475807 FR/066/024, FR/106/074, FR/061/072, verzonden op 4 februari 2002, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover het de uiterste datum waarop met de nazorgsmaatregelen moet worden begonnen betreft en voorzover het oorspronkelijke saneringsplan in samenhang met het evaluatierapport als een nieuw saneringsplan wordt beschouwd. Verweerders trekken hun oorspronkelijke goedkeuringsbesluiten in en stemmen opnieuw in met de oorspronkelijke saneringsplannen maar voegen nu controle en nazorgsmaatregelen aan de plannen toe. Voor het overige worden de bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.M. Winters, advocaat te Rotterdam, [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door [gemachtigden], ambtenaren van de provincie zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat een saneringsplan de instemming behoeft van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Zij beslissen hierover binnen dertien weken na de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen vier weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten hoogste dertien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorwaarden worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van dertien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. De Afdeling overweegt dat verweerders in het bestreden besluit hun oorspronkelijke besluiten tot goedkeuring van de saneringsplannen voor de onderhavige gevallen van bodemverontreiniging hebben ingetrokken omdat de saneringen, naar hun mening, niet conform deze saneringsplannen waren uitgevoerd. Tevens hebben verweerders in het bestreden besluit een nieuw goedkeuringsbesluit genomen waaraan voorwaarden in de zin van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming werden verbonden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerders deze handelswijze hebben gevolgd om voorwaarden ten aanzien van de omgang met de, volgens verweerders, in strijd met de oorspronkelijke saneringsplannen achtergebleven restverontreinigingen, te kunnen opleggen.

De Afdeling stelt vast dat de Wet bodembescherming niet voorziet in een algemene bevoegdheid om een onherroepelijk besluit tot instemming met een saneringsplan, zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, van deze wet, in te trekken. Ook anderszins bestaat geen wettelijke intrekkingsbevoegdheid van een dergelijk besluit. Gewijzigde feiten en omstandigheden zouden eventueel aanleiding kunnen geven tot het indienen van een nieuw saneringsplan, maar kunnen niet leiden tot het intrekken van de instemming met het oorspronkelijke plan. Verweerders waren dan ook niet bevoegd hun instemming met het oorspronkelijke saneringsplan in te trekken. Evenmin konden verweerders in hun besluiten van 23 april en 11 mei 2001 het evaluatierapport al dan niet in samenhang met het oorspronkelijke saneringsplan als een nieuwe melding en een nieuw saneringsplan beschouwen.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De Afdeling ziet in het hiervoor overwogene tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorziend het bezwaar van appellante alsnog gegrond te verklaren en de besluiten van 23 april 2001, kenmerk 449457 FR/066/024, 23 april 2001, kenmerk 449459 FR/061/072 en 11 mei 2001, kenmerk 450928, voor herroeping in aanmerking te laten komen.

2.3. Gelet op het bovenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.

2.4. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Fryslân van 4 februari 2002, kenmerk 475807 FR/066/024, FR/106/074, FR/061/072;

III. verklaart de bezwaren van 12, 15 en 19 juni 2001 gegrond;

IV. herroept de besluiten van gedeputeerde staten van Fryslân van 23 april 2001, kenmerk 449457 FR/066/024, 23 april 2001, kenmerk 449459 FR/061/072 en 11 mei 2001, kenmerk 450928;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Friesland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat de provincie Fryslân aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

315.