Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200106049/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 261K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106049/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

burgemeester en wethouders van Barneveld,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2001 heeft de gemeenteraad van Barneveld, op voorstel van burgemeester en wethouders van 27 februari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Verbindingsweg".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 16 oktober 2001, kenmerk RE2001.32993, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 maart 2002 hebben verweerders medegedeeld dat het beroepschrift hun geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door G.A.M. Bellomo-Dekker en M.A. Reinders, ambtenaren van de gemeente, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [partij], vertegenwoordigd door ing. L. Polinder, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.2. Het plan maakt de vestiging van twee bedrijven mogelijk op een terrein tegenover de percelen Verbindingsweg 4 en 8 te Voorthuizen.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan het plan.

2.3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit voor zover verweerders daarbij goedkeuring hebben onthouden aan het plandeel met de bestemming “Bedrijven”. Volgens appellanten stellen verweerders ten onrechte dat de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing deels stankgevoelig is en dat daarom een stankcirkel van 210 meter dient te worden aangehouden ten opzichte van het nabijgelegen agrarische bedrijf van M. Top, dat ligt aan de Verbindingsweg 32 te Voorthuizen. Appellanten bestrijden dat aan de voorziene bedrijfsbebouwing stankhinderbescherming toekomt nu geen sprake is van langdurig, met wonen gelijk te stellen verblijf.

2.4. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het plangebied en zijn omgeving een relatief dicht bebouwde woonomgeving is en daarom dient te worden aangemerkt als categorie II-omgeving in de zin van de Richtlijn veehouderij en stankhinder. Dit brengt volgens verweerders mee dat de afstand van de hindercirkel van het agrarische bedrijf van [partij] 210 meter in plaats van 136 meter beloopt. Zij zijn van mening dat de bebouwing die het plan en de daarbij behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk maken, deels stankgevoelig is. Verweerders hebben daarom goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Bedrijven”.

2.5. Ingevolge artikel 5 van de voorschriften van het plan, voor zover hier van belang, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als “Bedrijven” bestemd voor plaatselijke bedrijven, niet zijnde zelfstandige kantoren of andere arbeids- of bezoekersintensieve instellingen. Detailhandel is niet toegestaan.

Ingevolge artikel 6 van de voorschriften van het plan, voor zover hier van belang, mogen op of in de gronden, als bedoeld in artikel 5, uitsluitend niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

2.5.1. De Afdeling stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag welke categorie-indeling van stankgevoelige objecten als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet moet worden aangehouden, eerst dient te worden beoordeeld of het plan de vestiging van stankgevoelige objecten mogelijk maakt.

2.5.2. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 6 februari 2002, inzake no. 200101877/1 (aangehecht), heeft overwogen, geldt als uitgangspunt dat bescherming tegen stankhinder moet worden geboden ten behoeve van het wonen. Onder omstandigheden kan evenwel ook langdurig, met wonen gelijk te stellen verblijf in bedrijfsruimten als zodanig worden aangemerkt. Dergelijke bedrijfsruimten kunnen dan worden aangemerkt als stankgevoelig object in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet.

2.5.3. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval aanleiding bestaat om een deel van de toegestane bebouwing als stankgevoelig aan te merken. In het bijzonder ontbreekt in het bestreden besluit een motivering waarom het plan, gelet op evenweergegeven bepalingen van artikel 5 en artikel 6 van de planvoorschriften, naar de mening van verweerders onvoldoende waarborgen bevat om met wonen gelijk te stellen, langdurig verblijf in die bebouwing tegen te gaan.

Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en is het beroep van appellanten gegrond.

Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 16 oktober 2001, kenmerk RE2001.32993, voorzover het de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" betreft;

III. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

177-400.