Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200104683/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104683/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 juli 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouders] op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Openluchtrecreatie (hierna: de Wor) vergunning verleend voor het houden van een kampeerterrein op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Algemene kamer van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften Heeze-Leende van 29 mei 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juli 2001, verzonden op 6 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2002, waar [appellant] is verschenen en het woord namens appellanten heeft gevoerd. Voorts zijn burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.C. Voets en J.H.L.M. Dorssers, ambtenaren der gemeente, en [vergunninghouder] ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

In artikel 10, eerste lid, van de Wor kan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts worden verleend indien:

a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet;

b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wor - voorzover van belang - verbinden burgemeester en wethouders aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, voorschriften met betrekking tot de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Burgemeester en wethouders kunnen deze voorschriften wijzigen of intrekken.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wor - voorzover van belang - kunnen burgemeester en wethouders in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.

2.2. Appellanten hebben betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de eerdere uitspraken van de Afdeling van 22 maart 1984 en 4 september 1997 en van de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch van 18 december 1996 en 18 augustus 1998 en dat zij ten onrechte het overgangsrecht zoals vermeld in punt 2.3 van de Nota Openluchtrecreatie (hierna: de Nota) niet van toepassing heeft verklaard. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat de beleidsregels inzake het kleinschalig kamperen geen toepassing kunnen vinden, in strijd is met de bepalingen van artikel 25 van het bestemmingsplan “Buitengebied” en de bepalingen in de Nota, terwijl bovendien burgemeester en wethouders op die manier ontkomen aan de voorwaarden, vastgelegd in de Nota voor kleinschalig kamperen, en de beperkingen volgens het bestemmingsplan “Buitengebied”.

2.3. Het betoog van appellanten slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het perceel gelegen is binnen het werkingsgebied van het bestemmingsplan “Buitengebied” en dat het perceel op grond van dit bestemmingsplan positief is bestemd tot “kampeerterrein”, welke bestemming kampeeractiviteiten toestaat. Nu het perceel de bestemming “kampeerterrein” heeft, zijn de beleidsregels inzake reguliere kampeerterreinen van toepassing. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat is voldaan aan het vereiste van artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wor en dat de beleidsregels inzake het kleinschalig kamperen geen toepassing kunnen vinden. Niet valt dan ook in te zien dat een en ander in strijd is met artikel 25 van het bestemmingsplan “Buitengebied” en de bepalingen in de Nota. Gelet op het vorenstaande kan niet met succes staande worden gehouden dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid de onderhavige vergunning aan [vergunninghouder] hebben kunnen verlenen.

2.4. Wat betreft de beplantingsstrook gaat de Afdeling, gelijk is overwogen in de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de Afdeling van 4 september 1997 inzake no. R03.93.3308, ervan uit dat op grond van het indelingsplan aan de oostzijde van de kampeerplaats een beplantingsstrook aanwezig dient te zijn, te meer daar appellanten ook aan de oostzijde van het kampeerterrein wonen. Dat aan de aanleg van de beplantingsstrook geen uitvoering is gegeven dan wel dat deze strook thans onvoldoende moet worden geacht, is niet gebleken. Niet valt in te zien - gelet op de plaats waar de woningen van appellanten en waar de woning van [vergunninghouder] zich bevinden - dat de beplantingsstrook langs het hele Maarheezerpad zou moeten worden aangelegd.

2.5. Voorts is de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet gebleken dat de ter zake gestelde geluidseisen niet acceptabel zijn. In de voorschriften is verder de voorwaarde neergelegd dat permanent leiding aanwezig is. Ingeval niet aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen appellanten zich wenden tot burgemeester en wethouders. Dit geldt evenzeer voor de door appellanten gestelde overlast van honden.

2.6. Voor zover appellanten hebben betoogd dat zij reden hebben te vrezen dat de vergunningsvoorschriften door de vergunninghouder niet worden nageleefd en dat de controle op de naleving van die voorschriften door burgemeester en wethouders tekort schiet, slaagt dit argument evenmin. Op zich acht de Afdeling de scepsis van appellanten ten aanzien van de handhavingsbereidheid van burgemeester en wethouders, gezien de voorgeschiedenis, niet onbegrijpelijk. Echter is gebleken dat burgemeester en wethouders middels het handhavingstappenplan uit de Nota een beter, periodiek controlesysteem hebben ingevoerd. Ook op 7 juni 2002 heeft er nog een controle plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte rapport, dat als bijlage bij de brief van 7 juni 2002 van A.A. Oosterlee, sectorhoofd Grondgebied is gevoegd, is alles toen in orde bevonden. Evenmin is gebleken dat de huidige vergunninghouder de vergunningsvoorschriften niet naleeft. Inmiddels is ook een rapport van de GGD overgelegd, waaruit blijkt dat is voldaan aan de bepalingen inzake hygiëne, gezondheid en veiligheid van het kampeerterrein. Hetgeen appellanten voorts nog hebben aangevoerd, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Korthals Altes w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

45-395.