Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200200588/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200588/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 14 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de door appellant ingediende aanvraag huursubsidie met betrekking tot de periode 1 juli 1998-1 juli 1999 buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 19 maart 2001 heeft het hoofd Unit Correspondentie beweerdelijk namens de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 december 2001, verzonden op 17 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij brief van 1 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2002. Partijen zijn – met bericht – niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 9 februari 1998 (Stcrt. 1998, 52) heeft de Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) vastgesteld de Regeling taken en bevoegdheden VROM 1998, waarbij aan - onder meer - de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting (hierna: de Directeur-Generaal) mandaat is verleend om in naam van de Minister of de Staatssecretaris besluiten dan wel beslissingen op bezwaar te nemen of beleidsregels vast te stellen. Op grond van artikel 9 van de Regeling kan de Directeur-Generaal onder nader door hem te bepalen voorwaarden de aan hem verleende bevoegdheden mandateren aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

2.1.1. Bij besluit van 11 juli 1997 (Stcrt. 1997, 139) heeft de Directeur-Generaal vastgesteld het Besluit ondermandaat beheer directoraat-generaal van de Volkshuisvesting (hierna: het Besluit ondermandaat), welk besluit nadien meermaals is gewijzigd. Uit dit Besluit ondermandaat volgt dat – althans voorzover het betreft de uitvoering van de Huursubsidiewet en de Wet individuele huursubsidie – een beslissing op bezwaar wordt genomen door een functionaris die hiërarchisch hoger is dan de functionaris die de beslissing heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is gericht.

2.2. Het besluit van 18 augustus 1999 is, blijkens de daarin opgenomen aftiteling, namens de Staatssecretaris genomen door de Directeur-Generaal. Dit betekent dat het hoofd Unit Correspondentie niet bevoegd was op het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift te beslissen. De rechtbank is hieraan ten onrechte voorbijgegaan. Nu het besluit van 19 maart 2001 in strijd met het Besluit ondermandaat is genomen, komt dit voor vernietiging in aanmerking. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het inleidende beroep alsnog gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 19 maart 2001 vernietigd.

2.3. De Afdeling ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.3.1. De Staatssecretaris heeft te kennen gegeven het besluit van het hoofd Unit Correspondentie van 19 maart 2001 te bekrachtigen. Voorts is de mandaatregeling zodanig gewijzigd dat wordt voorkomen dat de beslissing op bezwaar wordt genomen door een lagere functionaris dan degene die de beslissing heeft genomen waartegen het bezwaarschrift is gericht. In zoverre bestaan er derhalve geen beletselen om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ter beantwoording van de vraag of hiertoe anderszins beletselen bestaan overweegt de Afdeling het volgende.

2.3.2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) geven burgemeester en wethouders de aanvrager ten minste vier weken de gelegenheid de aanvraag aan te vullen als de aanvrager het aanvraagformulier niet volledig heeft ingevuld, of niet alle krachtens artikel 28, derde lid, vereiste aanvullende gegevens en bescheiden heeft verstrekt, en de wel verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Hsw stelt de Minister de aanvraag buiten behandeling als de bij een aanvraag verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

2.3.3. Als vaststaand kan worden aangenomen dat appellant zijn aanvraag tijdig doch onvolledig heeft ingediend. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Hsw had aan appellant ten minste vier weken de tijd moeten worden gegeven om zijn aanvraag aan te vullen. Feitelijk is appellant van 1 december 1998 tot 18 augustus 1999 in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Dit heeft hij echter niet gedaan. In verband hiermee had de aanvraag op grond van artikel 30 van de Hsw buiten behandeling dienen te blijven. De besluiten van 18 augustus 1999 en van 19 maart 2001 vermelden als reden voor het buiten behandeling stellen van de aanvraag uitsluitend dat deze te laat zou zijn ingediend. De Afdeling acht dit, gelet op het vorenoverwogene, onjuist. In aanmerking genomen dat de aanvraag - zij het op niet geheel correcte gronden - overigens terecht buiten behandeling is gelaten, ziet de Afdeling voldoende aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.4. De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 14 december 2001, WET 01/930 ZET;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 maart 2001, Awb31x/VBC5/267;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 192,23) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

284/195-364.