Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200200881/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 410 met annotatie van A.A.J. de Gier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200881/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Breda, op voorstel van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan "HSL/A16".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 18 december 2001, nr. 760724, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 14 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2002, appellanten sub 2 bij brief van 18 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2002, en appellanten sub 3 bij brief van 18 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2002, waar appellante sub 1 in persoon en bijgestaan door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, appellanten sub 2, in persoon van [vertegenwoordiger] en vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, appellanten sub 3, in persoon en vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door

mr. A. van de Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Breda, vertegenwoordigd door

A.A.J. Neele en A.M. Nuijten, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan vormt het juridisch-planologische kader voor de aanleg van de Hogesnelheidsspoorlijn tussen Rotterdam en Antwerpen en de verlegging en verbreding van de A16 ten noorden van het knooppunt Galder, beide voorzover gelegen op het grondgebied van de gemeente Breda. Voorts voorziet het plan onder meer in de aanleg van een deel van de Westtangent.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders aan het plan goedkeuring verleend.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

2.3. Appellanten stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover dit voorziet in de zogenoemde ‘Bredase variant plus’ als onderdeel van het knooppunt Princeville. Zij betogen dat de in het plan opgenomen ‘Bredase variant plus’ heeft te gelden als een aanpassing dan wel wijziging van het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid. Nu de gemeenteraad het bestemmingsplan overeenkomstig het tracébesluit dient vast te stellen, betekent deze aanpassing dan wel wijziging volgens appellanten een onaanvaardbare doorkruising van de strekking en systematiek van de Tracéwet en het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid. In dit verband wijzen zij erop dat in het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid de

Oude Liesboslaan in het Knooppunt Princeville aansluit op de verlengde Ettensebaan, waarop op hun beurt aansluiten de op- en afritten van de A16 en de A58. Voorts hebben appellanten bezwaar tegen de niet in het tracébesluit voorziene maar in het plan mogelijk gemaakte verbindingsweg tussen de Ettensebaan en de Liesboslaan en de omvorming van het fietspad tussen de Oude Liesboslaan en de Liesboslaan in een buurt/wijkweg. Appellanten vrezen als gevolg van de wijzigingen overlast te zullen ondervinden van sluipverkeer.

2.4. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Tracéwet, zoals dit ten tijde van het nemen van het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid luidde, heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM), het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid (hierna: het tracébesluit) vastgesteld.

In het tracébesluit zijn in tabel 2.2.1 de dwarsverbindingen weergegeven die in het ontwerp van de HSL, de A16 en het knooppunt Princeville zijn voorzien. In deze tabel is onder meer de Oude Liesboslaan opgenomen, waarbij is bepaald dat wordt voorzien in een tweebaansrijweg met vrijliggend 2-richtingsfietspad en een vrije busbaan. Verder is bepaald dat deze doorgang een breedte krijgt van 43 meter en een hoogte ten opzichte van het maaiveld van 4,6 meter. Dit onderdeel van het tracé is weergegeven op kaartblad 105b bij het tracébesluit (Kaarten Tracédeel 7).

2.5. De Afdeling stelt vast dat de bovenbedoelde dwarsverbinding ter plaatse van de Oude Liesboslaan in het plan ontbreekt. In de plaats daarvan wordt in het plan ter plaatse van de in het tracébesluit voorziene dwarsverbinding het vrijliggende 2-richtingsfietspad bestemd tot “Verkeersdoeleinden – Buurt- en wijkweg” en krijgt het overige deel van de Oude Liesboslaan de bestemming “Groenvoorziening – Landschappelijke inpassingzone”. Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad van Breda op grond van artikel 24, derde lid, van de Tracéwet medegedeeld bereid te zijn planologische medewerking aan het tracébesluit ter zake van het daarin vastgestelde tracé te verlenen. Voorts staat vast dat het tracébesluit wat betreft de dwarsverbinding ter plaatse van de Oude Liesboslaan, niet is herzien.

2.5.1. Ingevolge artikel 24, derde lid, van de Tracéwet, voor zover hier van belang, geeft de Minister van VROM toepassing aan artikel 37, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening indien de gemeenteraad niet binnen een termijn van twaalf weken na verzending van het ontwerp-tracébesluit aan de Ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat heeft medegedeeld dat het bestuur van die gemeente bereid is planologische medewerking te verlenen.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan de Minister van VROM de gemeenteraad verplichten een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de Minister, indien bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 17 van de Tracéwet gelezen in samenhang met artikel 25 van die wet, voor zover hier van belang, dienen de betrokken bestuursorganen uiterlijk binnen de termijn van een jaar na vaststelling van het tracébesluit ter zake van het daarin vastgestelde tracé planologische medewerking te verlenen voor zover zij ten aanzien van dat tracé de bereidheid tot het verlenen van zodanige planologische medewerking hebben aangegeven.

De Afdeling leidt uit deze bepalingen af dat de gemeenteraad zich heeft verplicht en daardoor verplicht is het tracé in zijn geheel en overeenkomstig het tracébesluit neer te leggen in een bestemmingsplan. Verweerders hebben dit miskend.

2.5.2. Gelet op het vorenstaande is het bestreden plandeel in strijd met artikel 17, in samenhang met artikel 25, en artikel 24, derde lid, van de Tracéwet.

Door het plan op dit punt goed te keuren, zonder dat het tracébesluit voorafgaand aan het plan is herzien, hebben verweerders gehandeld in strijd met deze artikelen van de Tracéwet in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen van [appellant sub 1] en appellanten

[appellant sub 2] zijn in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft de gronden ter plaatse van de

Oude Liesboslaan met de bestemming “Groenvoorziening – Landschappelijke inpassingzone” zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het bovenbedoelde plandeel.

Daarbij overweegt de Afdeling ten aanzien van de in het plan mogelijk gemaakte verbindingsweg tussen de Oude Liesboslaan en de Liesboslaan en de in het plan mogelijk gemaakte verbindingsweg tussen de Ettensebaan en de Liesboslaan nog het volgende. Dat de gemeenteraad en verweerders vanwege gewijzigde inzichten over verkeers- en veiligheidsaspecten aan deze variant de voorkeur geven boven een rechtstreekse verbinding tussen de Oude Liesboslaan en de Ettensebaan, acht de Afdeling op zichzelf genomen niet onredelijk. Deze verbindingswegen zijn echter een direct gevolg van het niet uitvoeren van een deel van het tracébesluit. Gezien het verband tussen de beide verbindingswegen en de gewijzigde aansluiting tussen de Oude Liesboslaan en de Ettensebaan, hebben verweerders zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en hebben zij door het plan in zoverre goed te keuren gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre eveneens gegrond en de vernietiging van het bestreden besluit dient daarom ook de goedkeuring van de bestemmingen “Verkeersdoeleinden – Buurt- en wijkweg” en “Verkeersdoeleinden – Stedelijke hoofdweg” te treffen voorzover het betreft het mogelijk maken van de aanleg van deze verbindingswegen. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden van appellanten geen bespreking.

Beroep van [appellant sub 3]

2.6. Appellanten stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover dit voorziet in het doortrekken van de Westtangent en de daarvoor benodigde aanleg van een tunnelbak. Zij betogen dat de Westtangent aangemerkt moet worden als een hoofdweg als bedoeld in het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zodat een MER-procedure gevolgd had moeten worden. Voorts stellen zij dat de financiering van de aanleg van de tunnelbak onvoldoende is verzekerd. Verder is er naar hun mening onvoldoende onderzoek gedaan naar de toename van de verkeersdruk en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast op het zuidelijke deel van de Westerparklaan.

2.6.1. Verweerders hebben geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden en betogen dat voor de aanleg van de Westtangent geen MER-procedure gevolgd behoefde te worden. De financiële uitvoerbaarheid van het plan achten verweerders voldoende verzekerd. Zij stellen voorts dat er voldoende betrouwbare cijfers zijn over de te verwachten verkeersdruk en geluidsoverlast.

2.6.2. De Afdeling overweegt als volgt. Ingevolge artikel 7.2, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999, geldt, voorzover in de Bijlage bij dit Besluit bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport. In onderdeel C, onder 1.1, van de Bijlage, is de aanleg van een hoofdweg aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is. Ingevolge onderdeel A, onder 1, van de Bijlage wordt onder hoofdweg verstaan een weg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve hoofdwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnde planologische kernbeslissing.

De in het plan beoogde Westtangent maakt, blijkens de kaart "Hoofdwegennet Limitatief" behorende bij het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer, deel e, - de van kracht zijnde planologische kernbeslissing - geen deel uit van het hoofdwegennet. Het Besluit

milieu-effectrapportage 1994 is daarom niet van toepassing op de aanleg van de Westtangent zodat daarvoor geen milieu-effect rapport gemaakt behoefde te worden.

2.6.3. De Afdeling acht voorts onvoldoende aannemelijk dat het plandeel dat voorziet in de aanleg van de tunnelbak in de Westtangent financieel niet uitvoerbaar is. Verweerders hebben zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de financiële uitvoerbaarheid van dit plandeel voldoende is gewaarborgd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting door verweerders is verklaard dat de provincie Noord-Brabant een bijdrage zal leveren aan de financiering van de tunnelbak, in aanvulling op de bijdragen van de gemeente Breda en het Rijk.

2.6.4. Met betrekking tot de bezwaren van appellanten tegen het ontbreken van voldoende onderzoek naar de toename van de verkeersdruk en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast op het zuidelijke deel van de Westerparklaan, overweegt de Afdeling als volgt. Het thans voorliggende plan heeft geen betrekking op het zuidelijke deel van de Westerparklaan, maar op de aanleg van een tunnelbak in de Westtangent. De planologische regeling voor het zuidelijke deel van de Westerparklaan is vervat in het bestemmingsplan “Heilaar-Steenakker, herziening 1998 (plandeel Heilaar)”. In het kader van dat plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor dat deel van de Westerparklaan, waarbij gerekend is met een volledig aangelegde Westerparklaan inclusief de tunnelbak die in het thans voorliggende plan is begrepen. De bezwaren van appellanten tegen dit akoestisch onderzoek heeft de Afdeling reeds beoordeeld in haar uitspraak van 6 maart 2002,

nr. 199900335/1, met betrekking tot bovengenoemd bestemmingsplan. De beroepen van appellanten zijn in die uitspraak op dit punt ongegrond verklaard, zodat daar thans niet op terug kan worden gekomen.

2.7. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

2.8. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 1 en appellanten sub 2 te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellanten sub 3 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellante sub 1 en appellanten sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 december 2001, nr. 760724, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:

A. het plandeel met de bestemming "Groenvoorziening - Landschappelijke inpassingzone" ter plaatse van de Oude Liesboslaan zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

B. het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden – Buurt- en wijkweg” voorzover betrekking hebbend op de in het plan voorziene verbindingsweg tussen de Oude Liesboslaan en de Liesboslaan en het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden – Stedelijke hoofdweg” voorzover betrekking hebbend op de in het plan voorziene verbindingsweg tussen de Ettensebaan en de Liesboslaan;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II.A. genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover het betreft het onder II.A. vernietigde plandeel;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 3 ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellante sub 1 en appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1522,12; waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant als volgt te worden betaald:

1. aan appellante sub 1 een bedrag van € 761,06;

2. aan appellanten sub 2 een bedrag van € 761,06;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante sub 1 en appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (beide € 109,00) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

234-417.