Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200200217/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200217/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2001, kenmerk SB/Mil/GvV/2001/505, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het opslaan en bewerken van (non) ferro metalen, gelegen aan de [locatie 1] en de [locatie 2] te Haarlem, kadastraal bekend gemeente Haarlem, sectie […], nummers […] (ged.) en […]. Dit aangehechte besluit is op 29 november 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door mr. P. Spigt, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 20.7 van de Wet milieubeheer vangt de beroepstermijn ter zake van een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht aan met ingang van de dag na de dag waarop een exemplaar van het besluit overeenkomstig artikel 3:44, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd.

In artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is, voorzover hier van toepassing, bepaald dat bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het eind van de termijn ter post is bezorgd.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.1.1. Het bestreden besluit is ter inzage gelegd op 29 november 2001, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is begonnen op 30 november 2001 en geëindigd op 10 januari 2002. Het beroepschrift is blijkens het poststempel op 11 januari 2002 ter post bezorgd. Het beroepschrift is buiten de daarvoor gestelde wettelijke termijn van zes weken ingediend. Gelet op artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden bezien of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

De Afdeling stelt vast dat in het bestreden besluit een rechtsmiddelenvoorlichting ontbreekt. Enkel is in het onderhavige besluit verwezen naar de tekst van de kennisgeving van het besluit. In deze kennisgeving is vermeld dat van 30 november 2001 tot 12 januari 2002 beroep kan worden ingesteld. Deze onjuiste vermelding van de beroepstermijn kan appellant niet worden tegengeworpen. De Afdeling acht de termijnoverschrijding dan ook verschoonbaar.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant heeft de grond inzake de verpaupering van het zicht niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellant voert aan dat, ondanks het feit dat hij bedenkingen heeft ingediend, aan hem enkel een kennisgeving van het besluit is toegezonden zonder dat verweerders daarbij een exemplaar van het besluit hebben meegezonden.

2.3.1. Ingevolge artikel 3:44, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, doet het bestuursorgaan mededeling van het besluit door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die tegen het ontwerp van het besluit bedenkingen hebben ingebracht.

2.3.2. Niet weersproken is dat verweerders hebben verzuimd om naast een kennisgeving aan appellant ook een exemplaar van het besluit toe te zenden. De Afdeling overweegt dat het hierbij gaat om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Een dergelijke onregelmatigheid kan derhalve geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit aangezien deze niet met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit kan aantasten.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.4. Appellant voert voorts aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om naar aanleiding van het voorstel van verweerders mondeling bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit in te brengen.

2.4.1. Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder, binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijke bedenkingen indienen.

Ingevolge artikel 3:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat desgevraagd, gedurende de in artikel 3:24, eerste lid, bedoelde termijn, voor een ieder gelegenheid tot een gedachtenwisseling over het ontwerp van het besluit en tot het mondeling inbrengen van bedenkingen daartegen. Het bestuursorgaan stelt de aanvrager in de gelegenheid daarbij aanwezig te zijn.

2.4.2. Appellant heeft bij brief van 4 augustus 2001 aan verweerders verzocht de termijn waarbinnen bedenkingen kunnen worden ingebracht te verlengen van 28 augustus 2001 tot 28 oktober 2001. De reden voor dit verzoek was daarin gelegen dat het gedurende de vakantieperiode voor veel belanghebbenden onmogelijk zou zijn om schriftelijk bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit in te brengen. Dit verzoek heeft appellant vervolgens telefonisch op 6 augustus 2001 herhaald. Verweerders hebben zich in een reactie daarop op het standpunt gesteld dat het juridisch niet mogelijk is deze termijn te verlengen. In overleg werd besloten dat als alternatief een hoorzitting zou worden gehouden waarin mondeling bedenkingen naar voren konden worden gebracht. In dat kader heeft appellant verweerders verzocht de desbetreffende hoorzitting op een zo laat mogelijk tijdstip te laten plaatsvinden. Vervolgens hebben verweerders appellant een mogelijkheid geboden om in september mondeling bedenkingen naar voren te brengen. Dit voorstel is door appellant afgewezen, zo blijkt uit de stukken. Bij brief van 26 augustus 2001 heeft appellant schriftelijke bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid konden afzien van een mogelijkheid tot het inbrengen van mondelinge bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit, zodat het achterwege laten daarvan niet in strijd is met artikel 3:25 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Voorzover appellant, kort weergegeven, aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerders zijn gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellant vreest dat de aanwezigheid van de inrichting vervuiling buiten de inrichting door het deponeren van afval door derden met zich brengt. Verweerders hebben ter voorkoming daarvan geen voorschriften aan de vergunning verbonden.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat aan een vergunning geen voorschriften kunnen worden verbonden ter voorkoming van los van de inrichting staande activiteiten door derden op niet tot de inrichting behorende percelen, nu dit zich niet verdraagt met de strekking van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer. Verweerders hebben dan ook terecht dergelijke voorschriften niet aan de vergunning verbonden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Appellant vreest geluidhinder en stelt dat [vergunninghouder] niet kan voldoen aan de onder C genoemde geluidsvoorschriften.

2.8.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt hebben genomen. Op grond van de stukken blijkt dat de omgeving van de inrichting is te beschouwen als een woonwijk in de stad. Voor een dergelijk gebied wordt als grenswaarde 50 dB(A) etmaalwaarde aanbevolen. De Afdeling constateert dat de in de voorschriften opgenomen geluidgrenswaarden, een etmaalwaarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. Verweerders hebben dan ook in redelijkheid de gestelde geluidsvoorschriften toereikend kunnen achten.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.9. Voorzover appellant naar voren heeft gebracht bevreesd te zijn dat de vergunning niet wordt nageleefd, met name waar het de naleving van de eerdergenoemde geluidsvoorschriften en de opslag en het bewerken van oude metalen betreft, overweegt de Afdeling dat het al dan niet naleven van de vergunning buiten het bereik van deze procedure valt. Deze bezwaren hebben geen betrekking op de thans ter beoordeling staande vergunning als zodanig en kunnen dan ook om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de Wet milieubeheer voorziet overigens in maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.10. In hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben mogen komen.

2.11. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de verpaupering van het zicht betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

163-375.