Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200201317/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201317/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Leefbaarheid Prijsseweg", gevestigd te Culemborg,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft de gemeenteraad van Culemborg, op voorstel van burgemeester en wethouders van 20 oktober 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Parijsch".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 27 november 2001,

nr. RE2001.80765, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 mei 2002 hebben verweerders medegedeeld dat het beroepschrift hun geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeente Culemborg. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is verschenen de gemeenteraad van Culemborg, vertegenwoordigd door ir. M.C. Burgsteden, ing. P.H.J. van Uden, W.A.M. van Zwam en

D.H. van de Rijdt, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de realisering van een nieuw woongebied met bijbehorende voorzieningen, aan de westzijde van de kern Culemborg.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellante stelt dat verweerders in het bestreden besluit ten onrechte niet zijn ingegaan op haar aanvullende bedenkingen van

27 november 2000, maar slechts haar eerdere bedenkingen van

23 december 1998 hebben behandeld.

2.4. Ten aanzien van dit formele bezwaar van appellante overweegt de Afdeling dat niet is gebleken, dat verweerders in hun goedkeuringsbesluit niet op de aanvullende bedenkingen van appellante van 27 november 2000 zijn ingegaan, maar slechts op de eerdere bedenkingen van

23 december 1998. In het goedkeuringsbesluit van verweerders zijn zowel de bedenkingen van 23 december 1998 als de aanvullende bedenkingen van appellante samengevat weergegeven en inhoudelijk door verweerders beoordeeld.

2.5. Appellante betoogt dat aan het bestemmingsplan geen valide verkeersplan voor de afhandeling van autoverkeer ten grondslag is gelegd. Zij vreest een onaanvaardbare toename van autoverkeer op de Prijsseweg in de wijk Goilberdingen als gevolg van de realisatie van de nieuwe wijk Parijsch met bijbehorende voorzieningen op de grens met de wijk Goilberdingen. Zij vreest voorts een onaanvaardbare toename van autoverkeer op de Prijsseweg, omdat een aantal basisvoorzieningen zoals sportvelden in de wijken Parijsch en Goilberdingen ontbreken. Dit laatste betekent namelijk volgens appellante dat de bewoners van de wijk Parijsch in het oosten van Culemborg deze voorzieningen moeten opzoeken. Appellante heeft tevens bezwaar tegen de halve cirkel die op de plankaart op de grens tussen de wijken Parijsch en Goilberdingen is aangegeven, omdat deze halve cirkel noch in de legenda van de plankaart, noch in de voorschriften wordt verklaard.

2.6. De gemeenteraad heeft op de plankaart aan de Prijsseweg de aanduiding “paden” gegeven. Ingevolge artikel 3, onder B (Beschrijving in Hoofdlijnen), onder Verkeer, van de voorschriften hebben “paden” de functie van hoofdontsluiting voor het langzaam verkeer. Het netwerk van paden sluit aan op het gerealiseerde netwerk in de aangrenzende wijk Goilberdingen. De geprojecteerde “paden” zijn ten dele aangeduid op de plankaart. De op de plankaart aangeduide “paden”, die het plan verbinden met de Goilberdingendijk, beogen een directe relatie van de woonomgeving met de natuur. In het bijzonder de uiterwaarden van de dijk zelf. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan overwogen dat de Prijsseweg door de aanduiding “paden” wordt onderbroken, waar deze een langzaam verkeersroute wordt en dat hierdoor de verkeerssituatie op de Prijsseweg zal verbeteren.

2.7. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij kunnen zich verenigen met de hoofdverkeersinfrastructuur die in het plan is neergelegd. Verweerders gaan ervan uit dat het verkeer op de Prijsseweg door de realisatie van de wijk Parijsch weinig zal veranderen, omdat de ontsluitingsstructuur van het plan is gericht op een afvoer van het gemotoriseerde verkeer naar de Wethouder Schoutenweg en de aansluiting op deze weg reeds is aangelegd. Van het afsluiten van de Wethouder Schoutenweg, zoals door appellante gesteld, is verweerders niets gebleken. Zij achten het voorts niet onaanvaardbaar dat de Prijsseweg een zekere functie blijft behouden voor de verkeersafwikkeling van de wijken Goilberdingen en Parijsch.

2.8. De Afdeling ziet in het betoog van appellante geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet hebben kunnen verenigen met de hoofdverkeersinfrastructuur die in het plan is neergelegd, waarbij de Prijsseweg de functie heeft van hoofdontsluiting van het langzaam verkeer. Hierbij is in aanmerking genomen dat de Prijsseweg geen doorgaande weg voor auto’s is. Ter zitting is gebleken dat de gemeente ter hoogte van de grens tussen de wijken Goilberdingen en Parijsch een blijvende selectieve afsluitingsinstallatie heeft geplaatst die alleen door de streekbus en hulpdiensten kan worden gebruikt. Verder is ter zitting gebleken dat het nieuwe winkelcentrum in de wijk Parijsch twee van elkaar gescheiden parkeerplaatsen krijgt. Eén parkeerplaats voor de bewoners van de wijk Parijsch en één parkeerplaats voor de bewoners van de wijk Goilberdingen, waardoor deze twee verkeersstromen gescheiden blijven. Derhalve valt niet te verwachten dat het nieuwe winkelcentrum zal leiden tot een onevenredig grote toename van het autoverkeer op de Prijsseweg in de wijk Goilberdingen. Voorts is in aanmerking genomen dat ter hoogte van het bedrijventerrein “Pavijen V” een rotonde zal worden aangelegd om een directe aansluiting op de N320 mogelijk te maken. Verkeer van en naar de wijk Parijsch kan van deze aansluiting op de N320 gebruik maken, waardoor de Prijsseweg wordt ontlast. Verder is ter zitting gebleken dat de Prijsseweg zowel in de wijk Parijsch als in de wijk Goilberdingen als 30 km zone zal worden ingericht, waardoor de aantrekkelijkheid van deze weg voor gemotoriseerd verkeer zal afnemen. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de hoofdverkeersinfrastructuur in het plan niet is gebaseerd op een deugdelijk verkeerskundig onderzoek en representatief feitenmateriaal. Ter zitting is verder gebleken dat de halve cirkel getekend op de plankaart tussen de wijken Parijsch en Goilberdingen een indicatieve betekenis heeft voor de ontsluiting van het nieuwe winkelcentrum die nog nader moet worden ingevuld. De Afdeling is verder van oordeel dat de beoordeling van te nemen verkeersmaatregelen, waaronder in dit geval de nadere invulling van de halve cirkel op de plankaart, de inrichting van de Prijsseweg als 30 km zone en afsluitingen van wegen buiten het kader van de bestemmingsplanprocedure valt.

2.9. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

12-427.