Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200201843/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201843/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6], allen wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Boarnsterhim,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2002, kenmerk 01/26, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een smederij op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 13 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door drs. H. Hemmink, gemachtigde, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit betreft een oprichtingsvergunning voor een inrichting ten behoeve van het, gedurende de gehele week in de dagperiode, bewerken van metaal en het doen van constructiewerkzaamheden.

Daarnaast zal er op het terrein van de inrichting elke dag een rondvaartboot aankomen en vertrekken.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Allereerst merkt de Afdeling op dat [appellant sub 5] en [appellant sub 6] in het geheel geen bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De overige appellanten hebben de gronden inzake het niet in het akoestisch rapport rekening houden met impulsgeluiden, cumulatie van geluidhinder, geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting en de vergunningvoorschriften 3.4, 6.5 en 6.7 inzake brand- en explosiegevaar niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan zij redelijkerwijs niet kunnen worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De omstandigheid dat de bezwaren op andere wijze bij verweerders bekend waren, wat daar overigens ook van zij, kan niet als zodanig worden beschouwd. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten stellen dat de omstandigheden binnen de inrichting een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.5. Appellanten voeren aan dat verweerders in voorschrift 6.8 hebben verzuimd voor te schrijven dat de afvoer van verbrandingsgassen afkomstig van het smidsvuur mechanisch moet zijn. Tevens voeren zij in dat kader aan dat de maatregelen zoals voorgeschreven in voorschrift 6.8 niet kunnen worden getroffen nu het hier een rijksmonument betreft.

2.5.1. Ingevolge voorschrift 6.8 moeten verbrandingsgassen, afkomstig van het smidsvuur, via een gasdichte afvoerleiding naar buiten worden gevoerd. De uitmonding van deze afvoerleiding moet zich op een hoogte van ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van de bebouwing binnen een straal van 25 meter van de inrichting bevinden.

2.5.2. Allereerst merkt de Afdeling op dat de stelling van appellanten, dat de maatregelen zoals voorgeschreven in voorschrift 6.8 niet kunnen worden getroffen nu het hier een rijksmonument betreft, geen beroepsgrond is die ziet op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kan slagen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de Afdeling verder dat verweerders in redelijkheid voorschrift 6.8 toereikend hebben kunnen achten, nu, gelet op de kleinschaligheid van de vergunde activiteiten, een mechanische afvoer niet noodzakelijk is.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Appellanten voeren aan dat bij de voorbereiding van het besluit een stankemissieonderzoek had moeten plaatsvinden.

2.6.1. Op grond van de stukken en het verhandeld ter zitting is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de te verwachten emissies en daarbij de kleinschaligheid van de vergunde activiteiten mede in aanmerking genomen, van vergunninghouder in redelijk niet kan worden gevergd een stankemissieonderzoek te verrichten.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellanten stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het dorpsvernieuwingsplan “Terherne” van 29 september 1992, kenmerk 41.03.06, het ter plaatse geldende bestemmingsplan en hetgeen is gesteld in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen om die reden niet slagen.

Voorzover appellanten met het vorenstaande hebben getracht te betogen dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerders zijn gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

2.8. Appellanten vrezen voor geluidhinder. Zij voeren aan dat ten onrechte het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet is vastgesteld.

Appellanten menen dat vergunninghouder de in voorschrift 2.1 opgenomen geluidgrenswaarden niet zal kunnen naleven. Zij betogen, kort weergegeven, dat zij zich niet kunnen verenigen met de uitgangspunten van het door verweerders gebruikte akoestisch onderzoek van WNP raadgevend ingenieurs. Volgens appellanten is in het onderzoek onvoldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van toeristen binnen de inrichting.

2.8.1. Ingevolge voorschrift 2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten in de dagperiode (van 07.00 tot 19.00) ter plaatse van de immissiepunten zoals vermeld in het bij de beschikking behorende akoestisch meetrapport (uitgevoerd door WNP, rapportnr. 6011262.R01 van 15 november 2001 met aanvullende berekening, notitie 6011262.N01 van 27 november 2001), niet meer bedragen dan de bij dit voorschrift behorende tabelwaarden.

Deze waarden, gemeten op een hoogte van 5 meter, lopen uiteen van 34 tot 44 dB(A).

2.8.2. Bij de beoordeling van de geluidbelasting van de inrichting hebben verweerders gelet op de overwegingen van het bestreden besluit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. De Handreiking gaat ervan uit dat bij het vaststellen van de hoogte van geluidgrenswaarden voor nieuwe inrichtingen in beginsel aansluiting wordt gezocht bij de richtwaarden voor woonomgevingen die in de Handreiking worden aanbevolen. Deze richtwaarden kunnen worden overschreden, waarbij de hoogte van het referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt.

Blijkens de stukken hebben verweerders bij het vaststellen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de dagperiode aansluiting gezocht bij de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde die in de Handreiking wordt aanbevolen voor een rustige woonwijk met weinig verkeer. Gelet op de stukken bestaat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerders de omgeving van de inrichting hadden dienen te kwalificeren als een omgeving terzake waarvan de Handreiking een lagere richtwaarde adviseert. Voor het oordeel dat verweerders in dit geval het referentieniveau van het omgevingsgeluid hadden moeten bepalen alvorens tot vergunningverlening te besluiten, zoals door appellanten is betoogd, ziet de Afdeling geen grond. De Afdeling stelt vast dat de in voorschrift 2.1 voorgeschreven grenswaarden een etmaalwaarde van 45 dB(A) niet te boven gaan.

In de aanvullende berekening van WNP raadgevend ingenieurs van 27 november 2001, kenmerk 6011262.N01, tabel 1, wordt geconstateerd dat deze grenswaarden bij het inwerking zijn van de inrichting met gesloten deuren naleefbaar zijn. Voorzover appellanten vrezen dat gedurende de werkzaamheden de deuren ter ventilatie van de smederij geopend moeten worden, waardoor niet meer aan de gestelde grenswaarden kan worden voldaan, merkt de Afdeling op dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat gedurende de werkzaamheden met de deuren gesloten de smederij door haar constructie in voldoende mate kan worden geventileerd.

Wat betreft de stelling van appellanten dat in het onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met grote groepen toeristen die de inrichting bezoeken, overweegt de Afdeling het volgende. In de aanvraag staat vermeld dat op zater- en zondagen, afhankelijk van het seizoen, toeristen de inrichting bezoeken. Ter zitting is door vergunninghouder betoogd dat het niet de bedoeling is dat toeristen de inrichting aandoen. De inrichting zal enkel door klanten die smeedwerk door vergunninghouder laten verrichten, worden bezocht. Niet voorkomen kan worden dat een niet-klant het terrein van de inrichting betreedt, maar dat zal zich niet meer dan incidenteel voordoen, nu binnen de smederij geen op publiek gerichte werkzaamheden zullen worden verricht.

Gelet op het vorenstaande is bij het akoestisch onderzoeksrapport van 15 november 2001, kenmerk 6011262.R01, en de eerdergenoemde aanvullende berekening de structurele aanwezigheid van toeristen op het terrein van de inrichting terecht niet betrokken.

De Afdeling overweegt nog dat indien groepen toeristen de inrichting zullen aandoen het in voorschrift 2.1 vastgestelde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de dagperiode niet zal kunnen worden nageleefd, zodat voor verweerders ter zake een handhavingsgrondslag bestaat.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat verweerders niet ervan mochten uitgaan dat de in de rapporten vermelde uitkomsten van de onderzoeken betreffende de te verwachten geluidbelasting juist zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het in voorschrift 2.1 gestelde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevels van de woningen van derden in de dagperiode niet in redelijkheid toereikend hebben kunnen achten ter beperking van geluidhinder.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.9. Appellanten voeren aan dat de piekgeluidgrenswaarde in de dagperiode in voorschrift 2.2 ten onrechte is vastgesteld op 70 dB(A).

2.9.1. Voorschrift 2.2 bepaalt dat onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1 de maximale geluidniveaus (Lmax), voorzover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de in voorschrift 2.1 genoemde immissiepunten, niet groter mogen zijn dan:

- 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat piekgeluiden volgens de Handreiking bij voorkeur worden bepaald op 10 dB(A) boven de getalswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, doch maximaal op 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Afdeling constateert dat de in voorschrift 2.2 vastgestelde geluidgrenswaarde voor piekgeluiden in de dagperiode niet afwijkt van de grenswaarde die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar voor de dagperiode is aangemerkt. Verweerders hebben dan ook in redelijkheid de vastgestelde geluidgrenswaarde voor piekgeluiden in de dagperiode toereikend kunnen achten.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.10. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het feit dat ook op zaterdag en zondag activiteiten op het terrein van de inrichting mogen plaatsvinden, waardoor zij geluidhinder ondervinden.

2.10.1. Allereerst merkt de Afdeling op dat de Handreiking geen onderscheid maakt tussen gebruikelijke werkdagen en weekenddagen. Zoals hierboven is overwogen hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hoogte van de geluidgrenswaarden zodanig is dat voldoende bescherming tegen geluidhinder wordt geboden.

Uit de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat de inrichting in het seizoen (de zomermaanden) op zater- en zondagen geopend zal zijn. Gedurende deze maanden zullen er hoofdzakelijk verkoopactiviteiten plaatsvinden. Uit de stukken blijkt dat gedurende deze periode het bewerken van metaal en het verrichten van constructiewerkzaamheden nagenoeg niet zullen voorkomen. Hierdoor zal de geluidsbelasting vanwege de inrichting op de gevels van woningen van derden op de desbetreffende dagen lager zijn dan het in voorschrift 2.1 opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT).

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de geluidbelasting die op bedoelde zater- en zondagen door omwonenden wordt ondervonden geen aanleiding bestaat aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.11. Appellanten vrezen dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.6, betreffende het tijdens het in werking zijn van machines en installaties en het bij lawaai ten gevolge van werkzaamheden gesloten moeten houden van ramen en deuren in de gevel(s) van de smederij behoudens het onmiddellijke doorlaten van personen, goederen en voertuigen, niet zal worden nageleefd. Tevens vrezen appellanten dat het aantal vergunde vaarbewegingen van de rondvaartboot van en naar de inrichting, zal worden overschreden, waardoor niet meer voldaan zal kunnen worden aan het in voorschrift 2.1 voorgeschreven grenswaarden.

2.11.1. De Afdeling stelt vast dat deze bezwaren de handhaving van de naleving van de vergunning betreffen. Daar deze beroepsgronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning als zodanig kunnen deze beroepsgronden om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met de Wet milieubeheer, voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.12. Appellanten betogen dat verweerders hun bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit voor een ander doel hebben gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, namelijk het laten uitgroeien van Terherne tot een toeristische pleisterplaats.

2.12.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat er naar het oordeel van de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat, naar appellanten hebben gesteld, verweerders in strijd hebben gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.13. In hetgeen appellanten overigens nog hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet tot het bestreden besluit hebben mogen komen.

2.14. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voorzover het is ingesteld door [appellant sub 5] en [appellant sub 6], en verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voorzover het betreft de gronden inzake het impulsgeluid, cumulatie van geluidhinder, geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting en de vergunningvoorschriften 3.4, 6.5 en 6.7 inzake brand- en explosiegevaar;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

169-375.