Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200103304/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/776
JBO 2005/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103304/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie "Coöperatief Onroerend Goed Beheer Zuid Oost Drenthe U.A.", [appellant] en [appellant], respectievelijk gevestigd te [plaats] en wonend te [woonplaats]

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2000, kenmerk, 0900013A/DB/kt, heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met artikel 13 van de Wet bodembescherming niet doen afvoeren van, van een illegale sanering afkomstige, ernstig verontreinigde grond op het voormalige Textar-terrein gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 30 mei 2001, kenmerk IMH/HH/AD/me/280501005L, verzonden op 30 mei 2001, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 29 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 12 oktober 2001, kenmerk, 11O1014A/DB/et, heeft verweerder, onder intrekking van de dwangsombeschikking van 11 oktober 2000, besloten tot toepassing van bestuursdwang met betrekking tot bovengenoemde locatie. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen het besluit van 30 mei 2001 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 oktober 2001.

Bij brief van 12 maart 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door J. Klopstra, advocaat te Stadskanaal, en [appellant], gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piras, [gemachtigden], ambtenaren van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting trekken appellanten de beroepsgronden aangaande de bevoegdheid tot handhaving van artikel 13 van de Wet bodembescherming, de mandatering, de strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de bevoegdheid tot het nemen van een bevel als bedoeld in artikel 43 van de Wet bodembescherming in.

2.2. Ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming is een ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijze had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

2.3. Appellanten voeren aan dat verweerder de bestreden besluiten ten onrechte ook aan de gebroeders Hoogland hebben gericht. Volgens appellanten zijn zij geen eigenaars, gebruikers of gerechtigden in persoonlijke dan wel zakelijke zin van de betreffende grond en hadden de bestreden besluiten alleen aan "Coöperatief Onroerend Goed Beheer Zuid Oost Drenthe U.A." gericht kunnen worden.

De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellanten als enige bestuurders bovengenoemde coöperatie vertegenwoordigen. Reeds hieruit volgt dat appellanten het in feite en juridisch in hun macht hebben een eind aan de overtreding te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten zowel aan de gebroeders Hoogland als aan "Coöperatief Onroerend Goed Beheer Zuid Oost Drenthe U.A." moeten worden gericht. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Appellanten voeren aan dat er op het onderhavige perceel geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming.

De Afdeling stelt vast dat er in de ter beoordeling staande besluiten geen sprake is van de vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging. Zij begrijpt deze beroepsgrond zo dat appellanten willen stellen dat de onderhavige grond niet dusdanig verontreinigd is dat deze op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming verwijderd dient te worden.

De Afdeling constateert dat uit de stukken blijkt dat in de onderhavige grond de interventiewaarden van de Circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering voor lood, koper en zink worden overschreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat genoegzaam vaststaat dat de onderhavige grond dusdanig verontreinigd is dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat deze op basis van artikel 13 van de Wet bodembescherming verwijderd diende te worden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten voeren aan dat het handhavend optreden van verweerder prematuur is omdat zij reeds geruime tijd doende zijn met het indienen van een saneringsplan. Hierbij stellen zij dat bij de belangenafweging een zodanig gewicht is toegekend aan het milieubelang dat dit in verhouding tot het belang van appellanten als buitenproportioneel moet worden aangemerkt. Verder voeren zij aan dat het middel van de dwangsom niet had mogen worden toegepast, maar dat meteen had moeten worden gekozen voor de toepassing van bestuursdwang. Zij stellen hierbij dat het belang van het milieu zich tegen het opleggen van een last onder dwangsom verzet.

Verweerder stelt dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom, gelet op het milieubelang en de omstandigheid dat appellanten hadden aangegeven op korte termijn tot afvoer van de verontreinigde grond over te gaan onmiddellijk ingrijpen nog niet vereist was. Doordat afvoer ook na oplegging van de last uitbleef en doordat appellanten nalieten maatregelen te nemen dreigde de verontreiniging zich te verspreiden. Verweerder stelt dit voldoende reden te vinden om, onder intrekking van de last onder dwangsom, tot toepassing van bestuursdwang over te gaan.

Vast staat dat er sprake is van overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Noch het eventuele indienen van een saneringsplan noch het instemmen door gedeputeerde staten van de provincie met dit plan kan tot opheffing van deze overtreding leiden. De bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden is daarmee, zoals hierboven in overweging 2.2 reeds gesteld, gegeven.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen de oplegging van een last onder dwangsom. Eveneens heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat toepassing van bestuursdwang geboden was toen duidelijk werd dat de oplegging van de last onder dwangsom niet leidde tot beëindiging van de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.6. Appellanten voeren aan dat als al tot oplegging van een last onder dwangsom kon worden overgegaan deze qua hoogte in verhouding tot het te bereiken resultaat buitenproportioneel is. Tevens voeren zij aan dat de begunstigingstermijn, gegeven de feiten en omstandigheden, te kort is.

Uit de stukken blijkt dat de kosten voor de afvoer van de verontreinigde grond worden geraamd op fl. 900.000. Gelet hierop en gelet op de aard en ernst van de overtreding komt de aanvankelijk opgelegde dwangsom van fl. 1.200.000 de Afdeling niet buitenproportioneel voor. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verontreinigde grond binnen een termijn van maximaal acht dagen kan worden verwijderd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de begunstigingstermijn van vier weken niet als onredelijk kort kon worden aangemerkt. Deze beroepsgronden treffen geen doel.

2.7. Appellanten voeren aan dat van de zijde van het Openbaar Ministerie toestemming is vereist voor het afvoeren van de verontreinigde grond. Zij stellen hierdoor niet in staat te zijn de grond af te voeren zonder het gevaar te lopen strafrechtelijk te worden vervolgd.

De vraag daargelaten of de voorlopige maatregel, waar appellanten kennelijk op doelen, nog van kracht is, stelt de Afdeling vast dat deze maatregel er op is gericht dat geen handelingen op het terrein kunnen plaatsvinden zonder dat daarvoor uitdrukkelijk toestemming van de zijde van het bevoegd gezag is verleend. Het staat appellanten dus vrij om in overleg met het bevoegd gezag tot afvoer van de verontreinigde grond over te gaan. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

315.