Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200201185/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201185/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Beuningen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 8 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Kern Beuningen, deelplan 1".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 8 januari 2002, nr. RE2001.56682, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 26 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 7 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. M.W. Weber en [gemachtigde], appellant sub 2, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Tevens is de gemeenteraad van Beuningen, vertegenwoordigd door J.J.M. van der Zande en ing. G.F. Huner, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de wijken Centrum Oost en De Haaghe in de kern Beuningen.

Verweerders hebben bij hun besluit het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel [locatie sub 1]. Appellante stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voor zover dat niet voorziet in de ontwikkeling van een kleinschalig woningbouwproject op het achterterrein van haar perceel. Appellante is van mening dat woningbouw op dit terrein in overeenstemming is met het provinciale en regionale beleid. Zij doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.3.1. De gemeenteraad heeft aan het desbetreffende deel van het perceel de bestemming "Woongebied" met de aanduiding "zone geen gebouwen toegestaan" toegekend. De gemeenteraad heeft gesteld dat het gebied een functie als stedelijk uitloopgebied heeft en woningbouw ter plaatse niet wenselijk is.

2.3.2. Verweerders hebben in de bedenkingen van appellante geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat woningbouw op het perceel van appellante niet in overeenstemming is met het provinciale en regionale beleid.

2.3.3. In het Regionaal Structuurplan KAN 1995-2015, dat bij besluit van 30 juni 1998 door verweerders grotendeels is goedgekeurd, is het perceel van appellante als onderdeel van het regionaal landschappelijk raamwerk als 'stedelijk en recreatief groen' aangewezen. Het regionaal landschappelijk raamwerk dient te worden gevrijwaard van verstedelijking of andere ontwikkelingen die strijdig zijn met de in het raamwerk beoogde natuurontwikkeling, tenzij noodzakelijk voor de doorkruising van infrastructuur of de toepassing van de beleidslijn Ruimte voor de Rivier.

2.3.4. In het Streekplan Gelderland 1996, dat door provinciale staten bij besluit van 25 september 1996 werd vastgesteld en bij besluit van 21 juni 2000 partieel werd herzien, is het perceel van appellante aangegeven als "Landelijk Gebied D" en "stedelijk uitloopgebied".

In "Landelijk Gebied D" is de landbouw richtinggevend voor de ontwikkeling van andere functies. Er is volgens het streekplan sprake van een terughoudend beleid ten aanzien van nieuwe functies.

Het beleid over de als "stedelijk uitloopgebied" aangeduide gebieden is beschreven op bladzijde 59 van het streekplan. Hieruit blijkt dat de als zodanig aangeduide gebieden onder meer bedoeld zijn voor de ontwikkeling van een zonering met intensief gebruik langs de stadsrand (recreatieve hoofdfunctie) en meer extensief gebruik op grotere afstand in het agrarisch gebied (recreatief medegebruik). Verder zijn deze gebieden onder meer bedoeld voor landschapsbouw en aanleg van bos.

2.3.5. De Afdeling is gezien het vorenstaande van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat woningbouw op het perceel van appellante niet in overeenstemming is met het regionale en provinciale beleid. Het beroep van appellante geeft bovendien geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan het beleid hebben kunnen vasthouden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de grens tussen het stedelijk gebied en het stedelijk uitloopgebied gevormd wordt door de bestaande bebouwing aan de zuidzijde van de Lindenstraat en Hogewaldstraat. Bebouwing op het achterterrein van het perceel van appellante zal een verschuiving van die grens en daarmee een begin van penetratie van bebouwing in het stedelijk uitloopgebied vormen.

Ten aanzien van de door appellante gemaakte vergelijking met de toekomstige woningbouwlocaties in de hoek Hogewaldstraat-Van Heemstraweg en het gebied ten oosten van de Wilhelminalaan overweegt de Afdeling dat deze locaties in het regionaal structuurplan en het streekplan zijn aangeduid als 'woningbouwlocatie tot 2005' respectievelijk 'woonfunctie'. Niet gebleken is derhalve dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden niet hebben kunnen instemmen met het plan.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.4. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie sub 2]. Hij stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voor zover dat niet voorziet in de bouw van vijf extra woningen op zijn perceel. De locatie is volgens appellant een inbreidingslocatie, die op grond van het provinciale beleid de voorkeur verdient boven een uitbreidingslocatie. Verder doet appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.4.1. De gemeenteraad heeft aan het deel van het perceel van appellant waar hij de woningen wil bouwen de bestemming "Woongebied" en de aanduiding "zone geen gebouwen toegestaan" toegekend. De gemeenteraad heeft overwogen dat het gebied ten noorden van de Van Heemstraweg, waar het perceel van appellant ligt, het karakter heeft van overgangsgebied naar het buitengebied. De gemeenteraad wenst het gebied vanwege dat karakter vrij te houden van verdere bebouwing. Een toeneming van woningen achter die rand zou een verschuiving betekenen van de grens van woonbebouwing.

2.4.2. Verweerders hebben in de bedenkingen van appellant geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij stemmen in met het standpunt van de gemeenteraad.

2.4.3. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het provinciale woningbouwbeleid waarin is gesteld dat inbreidingslocaties de voorkeur hebben boven uitbreidingslocaties, niet betekent dat elke onbebouwde locatie in het stedelijk gebied voor woningbouw dient te worden aangewend. Het standpunt van verweerders dat verdere verdichting van woningbouw in het gebied dat begrensd wordt door de Van Heemstraweg en de Waardhuizenweg een aantasting van het karakter van het gebied als overgangsgebied tussen het stedelijk gebied en het buitengebied betekent, acht de Afdeling niet onredelijk.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met het gebied de Asdonck overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden niet hebben kunnen instemmen met het plan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de gemeenteraad voor het desbetreffende gebied weliswaar een voorbereidingsbesluit heeft genomen, maar dat de invulling van het gebied op het moment waarop verweerders dienden te beslissen nog niet bekend was.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

388.