Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200200780/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200780/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Ermelo,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2001, kenmerk 0122538, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een varkensfokkerij en -mesterij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 27 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De stichting “Stichting Wakker Dier” heeft zich blijkens de aangehechte verklaring van 29 juli 2002 teruggetrokken als mede-appellante in dit beroep.

Bij brief van 12 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. drs. N.C. van Lookeren de Campagne, advocaat te Zwolle, [gemachtigden] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 184 kraamzeugen, 792 guste/dragende zeugen, 2 dekberen, 111 vleesvarkens, 24 opfokzeugen en 2920 gespeende biggen en vergunning geweigerd voor het houden van 411 vleesvarkens. Bij het bestreden besluit zijn twee naast elkaar liggende inrichtingen samengevoegd. Voor deze twee gedeelten van de inrichting zijn eerder bij de besluiten van 24 september 1970 respectievelijk 15 mei 1979 krachtens de Hinderwet oprichtingsvergunningen verleend.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante voert aan dat de rechten voor het houden van dieren die kunnen worden ontleend aan de oprichtingsvergunning van 24 september 1970 deels zijn vervallen, omdat volgens hen de noordoostelijk gelegen stal niet tijdig is opgericht en in werking gebracht. Zij wijst in dit kader op overzichtstekeningen uit 1977 van de gehele inrichting, welke behoren bij aanvragen om een bouwvergunning, waarop deze stal niet is aangegeven. Omdat rechten voor het houden van dieren ten aanzien van deze stal zijn vervallen, zou zowel het aspect stank als het aspect ammoniak aan vergunningverlening in de weg staan.

2.3.1. Verweerders veronderstellen dat de betrokken stal wel tijdig is opgericht. Omdat de inrichting in die periode echter werd gedreven door een ander dan de huidige vergunningaanvrager, was het volgens verweerders niet mogelijk dit via meitellingen of andere boekhoudkundige gegevens te verifiëren.

2.3.2. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de tot 1 maart 1993 geldende Hinderwet, voorzover hier van belang, verviel de vergunning wanneer de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning was voltooid en in werking gebracht.

2.3.3. De Afdeling overweegt dat het feit dat deze stal niet is aangegeven op de tekeningen behorende bij bouwaanvragen op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de stal niet is voltooid en in werking gebracht maar verweerders hadden hierin wel aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen naar de rechtsgeldigheid van de onderliggende vergunning voorzover het de voormelde stal betreft. Verweerders zijn echter bij de beoordeling van de aanvraag onder meer wat de aspecten stank en ammoniak betreft uitgegaan van bestaande rechten ten aanzien van de noordoostelijk gelegen stal zonder te onderzoeken of er aanwijzingen waren op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze stal niet was opgericht binnen de in artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet genoemde termijn. Aldus hebben zij gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

2.4. Appellante stelt dat in de vergunning ten onrechte geen geluidgrenswaarden voor de piekgeluiden in de avond- en nachtperiode zijn gesteld.

2.4.1. Verweerders menen dat er in de avond- en nachtperiode geen activiteiten zullen plaatsvinden die het stellen van piekgeluidgrenswaarden voor die perioden noodzakelijk maken. Zij wijzen naar het ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag uitgevoerde akoestische onderzoek dat als uitgangspunt hanteert dat de aan- en afvoer van biggen, zeugen en vleesvarkens, de aanvoer van bulkvoer en het laden van mest uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden.

2.4.2. In de aanvraag zijn zowel voor de avond- als voor de nachtperiode wekelijks vrachtwagenbewegingen vermeld. Noch in het dictum van het bestreden besluit, noch in de aan de vergunning verbonden voorschriften zijn deze bewegingen beperkt of geweigerd. Dat in het akoestisch rapport wordt gesteld dat de aan- en afvoer van biggen, zeugen en vleesvarkens, de aanvoer van bulkvoer en het laden van mest uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden, brengt niet met zich dat de in de aanvraag genoemde vrachtwagenbewegingen niet zijn vergund, aangezien het akoestisch rapport geen deel uitmaakt van de aanvraag en de vergunning.

Aangezien de vrachtwagenbewegingen in de avond- en nachtperiode niet zijn geweigerd, terwijl verweerders kennelijk de bedoeling hebben gehad deze bewegingen niet te vergunnen, moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.5. Het beroep is gegrond. Nu zowel de aspecten stank, ammoniak - voorzover hier aan de orde -, als het aspect geluid bepalend zijn voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit te worden vernietigd. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Ermelo van 19 december 2001, kenmerk 0122538;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Ermelo in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Ermelo te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Ermelo aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

312-314.