Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200201728/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201728/1.

Datum uitspraak: 11 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 7 februari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Vlist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders van Vlist (hierna: burgemeester en wethouders) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het vernieuwen en vergroten van een woning aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 12 april 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van commissie bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 7 februari 2002, verzonden op 14 februari 2002, heeft de rechtbank te Den Haag (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Uit de bouwaanvraag van 4 juli 2000 en de overgelegde bouwtekeningen, behorend bij de verleende bouwvergunning van 20 oktober 2000 (BV 00094), blijkt dat vergunning is aangevraagd voor een aantal inmiddels gerealiseerde afwijkingen ten opzichte van een eerder verleende bouwvergunning d.d. 26 maart 1999 (BV 98174) voor het vergroten en vernieuwen van de woning.

2.2. Volgens het bestreden besluit en de bijbehorende bouwtekening ziet de bouwvergunning enkel op gevelwijzigingen. Zij heeft geen betrekking op de door appellant gewraakte carport, de erfafscheiding en het onderheide terras, die op de bouwtekening als bestaande toestand zijn aangegeven en derhalve geen deel uitmaken van de bouwaanvraag.

2.3. Nu de bouwvergunning slechts ziet op gevelwijzigingen, kunnen overige wijzigingen ten opzichte van het bouwplan waarop de eerder verleende bouwvergunning betrekking had, wat hiervan ook zij, in deze procedure niet aan de orde komen.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niets eraan in de weg staat dat een houder van een bouwvergunning een nieuwe vergunning aanvraagt ter legalisering van in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwde onderdelen. De stelling van appellant dat burgemeester en wethouders slechts de oorspronkelijke aanvraag van december 1998, die leidde tot de bouwvergunning van 26 maart 1999, van een nieuwe datum hebben voorzien, volgt niet uit de overgelegde bouwaanvraag en bijbehorende bouwtekeningen en is door appellant overigens niet aannemelijk gemaakt.

2.5. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat burgemeester en wethouders in redelijkheid de vrijstelling ingevolge artikel 19 lid 3 van de WRO, alsmede de bouwvergunning voor de gevelwijziging konden verlenen, temeer nu appellant tegen deze wijzigingen als zodanig geen bezwaren heeft.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002

17-429.