Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
200201974/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/292

Uitspraak

Raad

van State

200201974/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de Staatssecretaris van Justitie,

2. [vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 maart 2002 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante sub 2 (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 maart 2002, verzonden op 3 april 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van een onderdeel van het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, bepaald dat het beroepschrift in zoverre aan de staatssecretaris wordt doorgezonden om als bezwaarschrift te worden behandeld en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben onderscheidenlijk de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 april 2002, en de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 april 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige door hem voorgedragen grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat het bij haar bestreden besluit geen ambtshalve weigering bevat de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen. De rechtbank heeft zich - aldus de staatssecretaris - ten onrechte onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen in zoverre dit zich richt tegen een zodanige weigering en evenzeer ten onrechte bepaald dat het beroepschrift in zoverre aan hem wordt doorgezonden om als bezwaarschrift te worden behandeld.

2.1.1. Deze grief slaagt. Uit het besluit van 12 maart 2002 kan niet worden afgeleid dat dit mede strekt tot weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling. De inhoud van de beschikking, noch de daarin neergelegde beslissing behelst voldoende aanwijzing daarvoor. De rechtbank is buiten de grenzen van het geschil getreden en heeft aldus artikel 8:1, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschonden.

2.1.2. Gelet hierop, is het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarin is bepaald dat het beroepschrift wegens onbevoegdheid van de rechtbank aan de staatssecretaris zal worden doorgezonden om als bezwaarschrift te worden behandeld.

2.2. In haar eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar aanvraag zich, niettegenstaande haar minderjarigheid, leende voor afdoening binnen de aanmeldcentrumprocedure.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 december 2001 in zaak no. 200105777/1, gepubliceerd in JV 2002/44), heeft de wetgever ter bepaling of een aanvraag geschikt is om in een aanmeldcentrum te worden afgewezen een naar tijdsduur gemeten maatstaf voorgeschreven. Daarbij heeft blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 en de toelichting op het Vb 2000 de gedachte voorgezeten dat het vereiste dat binnen 48 proces-uren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen, waarborgt dat op deze wijze slechts zaken worden afgehandeld, die geen tijdrovend onderzoek vergen. De wet biedt geen grondslag voor de stelling dat bepaalde categorieën aanvragen, zoals van minderjarigen, zijn uitgesloten van behandeling in het aanmeldcentrum. Het aangevoerde levert dan ook geen grond op voor het oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de vreemdeling ten onrechte heeft overwogen dat haar aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen. Deze grief treft geen doel.

2.3. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris bij afwijzing van de aanvraag een onjuiste rechtsgrond heeft toegepast. Vaststaat – aldus de vreemdeling – dat de staatssecretaris haar relaas aannemelijk acht. Hierdoor is er geen ruimte om artikel 31, tweede lid, sub f, van de Vw 2000 tegen te werpen. Voorts betoogt de vreemdeling dat haar, gelet op haar minderjarigheid en afhankelijkheid, die bepaling niet kan worden tegengeworpen.

2.3.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het was derhalve aan de vreemdeling om de door haar aan haar aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken.

Ingevolge dat artikel, tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.3.2. De staatssecretaris heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt gegronde vrees te hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat haar aanvraag derhalve op de voet van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt afgewezen. Bij het onderzoek naar de aanvraag heeft de staatssecretaris mede betrokken dat de vreemdeling geen reispapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag aldus geen onjuiste rechtsgrond heeft toegepast. Er is geen grond voor het oordeel dat het niet kunnen overleggen van reispapieren, documenten of andere bescheiden niet aan de vreemdeling mag worden toegerekend omdat zij minderjarig is. De grief faalt.

2.4. De Afdeling verstaat de derde grief van de vreemdeling aldus, dat zij klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat zij, gelet op haar jeugdige leeftijd, geen verblijfsalternatief/vluchtalternatief heeft in haar land van herkomst en derhalve in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c van de Vw 2000 vermelde gronden.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 op één van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c van die wet vermelde gronden. Deze overwegingen zijn als zodanig door de vreemdeling niet bestreden. De jeugdige leeftijd van de vreemdeling vormt op zichzelf geen omstandigheid op grond waarvan geoordeeld moet worden dat er voor haar in het land van herkomst geen verblijfsalternatief is en dat zij daarom in aanmerking zou moeten komen voor een verblijfsvergunning asiel. De grief faalt.

2.5. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellant sub 1 gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 29 maart 2002, AWB 02/18684, voorzover is bepaald dat het beroepschrift wordt doorgezonden aan de staatssecretaris om, voorzover van belang, als bezwaarschrift te worden behandeld;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, enmr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002

273-382.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,